Dollar en olie doen chemie de das om; Volumegroei gaat gepaard met 'conjuncturele vermoeidheid'

ROTTERDAM, 27 nov. - Sommige Europese chemiebedrijven blijven van mening dat het economisch tij niet gekeerd is. Prof.dr. W. Hilger bijvoorbeeld, voorzitter van het Westduitse Hoechst. Nadat het eerste halfjaar al een sterke terugval van het resultaat had vertoond, bleken de cijfers over het derde kwartaal zelfs 37 procent lager dan vorig jaar. 'De ene keer merk je niets van een zomerflauwte, de andere keer wel', probeerde Hilger nog.

Maar feit is dat de Europese chemie over de gehele linie zwakker presteert. En niet alleen de resultaten lopen overal terug, ook de omzetten dalen. Van de grote Nederlandse en Westduitse chemieconcerns maakte BASF gisteren de grootste daling van de (bruto-)winst over de eerste drie kwartalen van dit jaar bekend. Met een val van 27,7 procent tegenover de eerste negen maanden van vorig jaar werd DSM (min 22,8 procent) nog ruim overtroffen. De omzetten van de grote vijf - Akzo, DSM, BASF, Bayer en Hoechst - daalden in de periode januari-september 1990 met percentages van 2,4 (Hoechst) tot 5,9 procent (Akzo).

Het voornaamste probleem waarmee de mondiaal toonaangevende Westduitse chemie worstelt, is de keiharde Duitse mark. Die verzwakt haar internationale concurrentiepositie. Immers, Duitse chemiebedrijven maken hun meeste kosten in dure D-marken terwijl zij voor hun produkten op de internationale markt worden betaald in dollars die steeds minder waard zijn. Vorig jaar rekende Bayer nog met een gemiddelde dollarkoers van 1,89 D-mark, nu is dat nog maar 1,65.

De buitenlandse dochterbedrijven van de Duitse chemiereuzen presteren relatief goed, althans wanneer hun resultaten in dollars, yens, of Britse ponden worden bezien. Na omrekening in D-marken ogen ze opeens mager. Zo wreekt zich het beleid van de afgelopen jaren, gericht op grotere geografische spreiding, met name in de VS en Japan. Bayer deed nota bene op 1 oktober van dit jaar de grootste overneming in haar geschiedenis door voor 1,06 miljard dollar de Amerikaanse rubberfabrikant Polysar voor de neus van DSM weg te kapen.

De Nederlandse chemie ondervindt soortgelijke moeilijkheden als de Duitse omdat de gulden is gekoppeld aan de D-mark. Akzo rekende het afgelopen kwartaal 1,80 gulden voor een dollar, tegenover gemiddeld 2,12 gulden vorig jaar.

De effecten van de zwakke dollar komen keihard in de cijfers tot uitdrukking. Bayer zou dit jaar, bij een gelijkgebleven dollarkoers, een half miljard D-mark omzetgroei hebben genoteerd, maar het wisselkoersverschil leidt nu tot een omzetdaling met 1,9 miljard D-mark. Ook het bedrijfsresultaat ontkomt niet aan de gevolgen: het negatieve effect bedraagt nu al 120 miljoen D-mark, aldus Bayer-chef H. Strenger gisteren. Dr. S. Bergsma, lid van Akzo's groepsraad, rekende eerder deze maand voor dat van de zes procent daling in de concernomzet tweederden het gevolg was van valuta-effecten.

Een andere nadelige factor is de prijsstijging voor ruwe olie en andere grondstoffen als gevolg van de Golfcrisis. DSM: 'De opbrengstprijzen konden dit kwartaal slechts gedeeltelijk worden aangepast aan de abrupt gestegen kosten van nafta en gasolie die tegen dagprijzen worden ingekocht.' BASF meldde het voorbije kwartaal respectievelijk 20 en 40 procent meer te hebben betaald voor propeen en etheen, en zelfs 100 procent meer voor nafta. BASF stelde dat de verdere winstontwikkeling afhankelijk is van de mate waarin de stijgende grondstofkosten in de prijzen zijn door te berekenen. dat wordt bemoeilijkt, zegt het bedrijf, door de sterke positie van de D-mark.

Vertegenwoordigers van andere chemieconcerns volgden in hun toelichting op de lagere resultaten zonder uitzondering BASF-voorzitter dr. J. Strube: 'Dit winstverloop moet tegen de achtergrond van het buitengewoon goede vorige jaar worden gerelativeerd'. De chemie kende in 1989 een grote vraag en ze draaide mede daardoor op topcapaciteit. Het rendement op geinvesteerd vermogen was toen hoog en de marges voor veel produkten ruim.

Hoe de huidige periode van neergang gekenschetst moet worden, blijkt een punt van discussie. Bij Hoechst weigert men te geloven in een recessie. Het lopende investeringsprogramma wordt volgens plan uitgevoerd; in de laatste drie kwartalen werd met 2,36 miljard D-mark 13 procent meer in materiele vaste activa gestoken dan in dezelfde periode vorig jaar.

De chemie beschouwt zichzelf als graadmeter voor de wereldconjunctuur, en omdat Hoechst de voorbije drie kwartalen toch 3,9 procent meer volume afzette, gaat het dus goed. Voor komend jaar rekent bestuursvoorzitter Hilger zelfs op nog grotere groei. 'Belangrijk is dat we de verhouding tussen prijzen en kosten weer verbeteren, en dat bij groeiende concurrentie. Waarlijk geen licht opgave, maar we gaan de uitdaging met vertrouwen aan', aldus Hilger, die voorspelde dat de dit jaar per kwartaal procentueel groeiende winstdaling in het lopende trimester zou worden gekeerd.

BASF was minder concreet. Strube kondigde weliswaar interne maatregelen bij zijn concern aan om (vooral personeels)kosten te reduceren en efficientie te verbeteren, maar noemde de orderportefeuille bevredigend. Gegeven bovendien de goede benutting van de produktiecapaciteit ziet het concern geen aanleiding in geplande investeringen te schrappen.

Akzo gaf in haar toelichting op het jongste kwartaalresultaat geen enkele prognose. Het concern liet slechts weten dat de investeringsuitgaven dit jaar met 780 miljoen gulden ruim 14 procent achterblijven bij 1989 en dat het personeelsbestand inmiddels met 500 mensen in ingekrompen tot 70.400.

Ook DSM blijft uitgesproken terughoudend in voorspellingen. In zijn toelichting op het derde kwartaal ging het concern niet verder dan de mededeling dat 'onder voorbehoud van onvoorziene omstandigheden en bij continuering van de huidige gang van zaken voor het jaar 1990 het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening na belastingen een niveau van 800 miljoen gulden zal kunnen overschrijden.' Omdat voor een dergelijk jaarresultaat nog slechts 124 miljoen gulden in het lopende kwartaal nodig is, kan DSM geen groot vertrouwen in zelfs maar de zeer nabije toekomst worden toegedicht. Vorig jaar werd in dezelfde periode immers een nettoresultaat uit gewone bedrijfsuitoefening van 242 miljoen gulden geboekt.

Vergelijkbaar gering optimisme is te bespeuren bij Bayer. Voorzitter Strenger registreerde gisteren nog volumegroei (2 procent), maar wees tegelijkertijd op 'conjuncturele vermoeidheidsverschijnselen', niet alleen meer in de VS en Groot-Brittannie , maar ook in Scandinavie en landen als Spanje, Italie en Frankrijk. Ook refereerde hij aan 'bepaalde overcapaciteiten', als gevolg van uitbreidingsinvesteringen in de laatste jaren, die in enkele sectoren al tot druk op de prijzen hebben geleid.

In combinatie met eveneens relatief dalende kwartaalresultaten (de brutowinst in het derde kwartaal 1990 lag 36 procent onder het niveau van dezelfde periode vorig jaar) en aanhoudend hogere grondstofkosten maakte Strenger dan ook somberder over de vooruitzichten dan Hoechst-collega Hilger. Na zeven jaar onafgebroken stijging zal het investeringsniveau bij BASF komend jaar in ieder geval onder de 3,5 miljard D-mark van 1990 blijven. Verder sluit Strenger 'aanpassingen' niet uit, waarbij eventueel overtollig personeel via natuurlijk verloop en vervroegde uittreding zal afvloeien.