De Bossche Euroulette-constructie; De tweede casinogolf

Als we niet oppassen komt er, na de golf van Golden Ten-casino's waarmee de overheid praktisch geen raad weet, een tweede golf van particuliere casino's. Nu op grond van een buitengewoon slim idee: je laat de spelers in het casino niet tegen de bank spelen, maar tegen elkaar.

Kansspelen mogen niet zonder vergunning worden geexploiteerd, behendigheidsspelen wel. Wat de reden is, is niet geheel duidelijk. Men zou kunnen denken dat de Staat der Nederlanden zijn burgers tegen hun eigen goklust in bescherming wil nemen. Dat kan echter niet het geval zijn: de staat is juist de grootste legale ondernemer in de gokindustrie, en laat niet na het arsenaal van gokgelegenheden te vergroten, zelfs als daar geen ander argument voor is dan dat de topsport geld nodig heeft.

Zelfstandige ondernemers zien deze situatie natuurlijk met leedwezen aan: er is in de branche veel geld te verdienen, maar de staat verleent, behoudens een enkele uitzondering, de vergunningen uitsluitend aan zichzelf. Het resultaat is dat enkele ondernemers spellen zijn gaan ontwerpen die de goklust van mensen oproepen, maar waarvan op de een of andere grond verdedigd kan worden dat ze behoren tot de categorie behendigheidsspelen.

Binnen een uur failliet

Het meest bekende voorbeeld is Golden Ten, een spel dat lijkt op het normale Roulette. Het verschil met Roulette is echter dat de getallenkrans niet draait, en dat er geen obstakel in de ketel zit die de bal van richting doet veranderen. De bewering is dat door deze verschillen het traject van de bal min of meer voorspelbaar is, zodat het inzetten op het juiste nummer een kwestie van behendigheid is. Er zijn 26 vakken, en de uitbetaling bij een correcte voorspelling van het nummer is 24 maal. Iemand die volstrekt willekeurig inzet verliest daardoor gemiddeld 2/26 van iedere inzet; ofwel 7,7%.

Iemand die werkelijk behendig speelt kan bij iedere ronde zijn inzet vierentwintigvoudig terug krijgen. Het spreekt vanzelf dat de exploitant van een Golden Ten-spel niet verwacht dat alle spelers, bij iedere ronde een correcte voorspelling zullen doen; het casino zou dan binnen een uur failliet zijn. De exploitant verwacht ook niet dat de spelers door oefening steeds beter worden; ook al zou het casino niet binnen het uur failliet zijn, uiteindelijk zouden de steeds behendiger spelende spelers hetzelfde desastreuze resultaat bereiken. Je kan zelfs precies uitrekenen hoe behendig de spelers volgens de exploitant kunnen worden. Wanneer een speler eens in de 26 keer wint is hij even goed als iemand die alleen maar wat gokt; het casino wint dan 7,7% van de inzet. Wanneer een speler 1,08 keer wint in 26 rondjes, speelt het casino net quitte. Wanneer een speler per 26 ronden twee keer wint en 24 keer verliest, is het resultaat rampzalig: de speler heeft dan 48 keer de inzet gewonnen, en 24 keer verloren.

In concreto: wanneer die speler met inzetten van 100 gulden speelt, en ongeveer 26 ronden per uur speelt, is de winst fl. 2400. Een niet te versmaden uurloon. De exploitant verwacht ook dat niet. Hij verwacht dat de behendigheid zo'n kleine rol speelt, dat het verschil tussen een volstrekte gokker en een maximaal behendige speler minder is dan 0,08 keer winnen per 26 ronden, ofwel 3 op de duizend. Maar zo'n spel, dat je kennelijk nauwelijks kan leren, mag toch geen behendigheidsspel heten?

Nee, en dat heeft de rechter ook beaamd: Golden Ten is geen behendigheidsspel, want in de praktijk kunnen spelers dat niet leren. Hetzelfde lot is in principe ieder spel beschoren waarin de exploitant als bankhouder optreedt. Aangezien de bankhouder van tevoren vaststelt wat de uitbetalingsregel is, geeft hij daarmee gelijktijdig te kennen dat er een maximum is aan het niveau van behendigheid dat de speler kan bereiken. Je kan de uitbetaling natuurlijk heel erg laag maken; bijvoorbeeld eenmaal uitbetalen bij een juiste inzet, in plaats van 24 maal. Maar dan is het spel niet meer aantrekkelijk voor mensen die eigenlijk uit zijn op een avondje gokken. De exploitant begeeft zich dan op een geheel andere markt, en die markt is veel te klein. Om met legale casino's te kunnen concurreren moet je een spel hebben dat aantrekkelijk is voor gokkers; dus moet je een veelbelovende uitbetalingsregeling hebben. Maar wanneer de exploitant tevens optreedt als bankhouder is zo'n regel alleen te handhaven wanneer de spelers het spel nooit leren. Dan is er dus geen sprake van een behendigheidsspel, en dus is de exploitant in overtreding. Tot zover lijkt de wet behoorlijk waterdicht.

De pot verdelen

Maar er zijn ook spelen waarin de exploitant niet als bankhouder optreedt. Het klassieke voorbeeld is Bacarat, waarin de spelers tegen elkaar spelen, en de winnende speler alleen maar een bepaald percentage van zijn winst aan de exploitant afdraagt ' voor de diensten van de croupier en het gebruik van de faciliteiten'. Ook Bacarat is verboden, omdat de spelers niet door behendig spelen hun kans op winst kunnen vergroten. Maar het idee om de spelers tegen elkaar te laten spelen in plaats van de bank, biedt een exploitant veel meer mogelijkheden om de wettelijke beperkingen te ontwijken. Het maakt hem immers niet uit of de spelers de pot verdelen met behulp van een kansspel of een behendigheidsspel? Als hij maar zijn vaste percentage van de winst krijgt!

Ter illustratie een eenvoudige casuspositie zoals de juristen dat noemen. Twee tennisspelers leggen ieder fl. 50, - in een pot, en spreken af dat de winnaar van het tennisspel negentig gulden uit de pot krijgt; het resterende tientje gaat naar de eigenaar van de tennisbaan als vergoeding voor het gebruik van de baan. Is dit een overtreding van de wet op de kansspelen? Ik denk niet dat enige rechter ooit tot zo'n conclusie zou komen. De spelers spelen immers gewoon een partijtje tennis, en iedereen weet dat tennis een behendigheidsspel is. Een juridische definitie die van tennis een kansspel zou maken zou strijdig zijn met ieders gezond verstand.

Bingo

Nu gaan we een stapje terug. We ontwerpen een Bingo-spel waarin de nummers niet bij toeval worden getrokken. Nee, iedere speler beschikt over een TV-scherm met een drukknop. De nummers tollen met grote snelheid voorbij op het scherm; door een druk op de knop krijg je het nummer dat net langs komt, maar je moet wel vlug zijn. Op deze manier kan je alle nummers verzamelen die nodig zijn om je Bingo-kaart vol te krijgen. Wie dat het eerste lukt wint de pot. De exploitant verdient zijn aandeel, zoals gebruikelijk bij dit spel, door het verkopen van de Bingo-kaarten. Het is duidelijk dat je de snelheid van de nummers op het scherm zodanig kan kiezen dat het behendigheidselemement tamelijk groot wordt. We hebben nu een Bingo-spel dat in principe net als tennis een behendigheidsspel is, maar dat zich waarschijnlijk goed laat exploiteren in een gokhal. De Wet op de Kansspelen verbiedt zoiets niet.

Is deze ontwikkeling denkbeeldig? Allerminst: in het arrondissement 's-Hertogenbosch is het eerste proces al begonnen tegen de speelclub 'De Keyzer', waar een variant van Golden Ten, genaamd Euroulette, werd gespeeld. In Euroulette spelen de spelers niet tegen de bank, maar tegen elkaar. Wie het beste voorspelt waar het balletje valt krijgt de inzetten van de andere spelers. Tien procent van de winst wordt aan het casino afgedragen. Een probleem bij deze opzet is dat op voorhand niet duidelijk is of de gekozen variant van Golden Ten wel in voldoende mate ruimte biedt aan de behendigheid van de spelers. Op die grond kan het nog steeds worden verboden.

Maar dat is een kwestie van tijd: op den duur zullen de onuitputtelijke ontwerpers van spelletjes stellig komen met een variant die behendigheid vereist en die toch aantrekkelijk is voor gokkers. Om voor de hand liggende redenen zal ik casinospelen waarin spelers tegen elkaar spelen in een situatie die behendigheid vereist 'de Euroulette-constructie' noemen.

Doorbreekt de solidariteit

Euroulette-constructies zijn ook zeer aantrekkelijk voor de exploitant. Ten eerste natuurlijk omdat de overheid er niets tegen kan doen. Ten tweede omdat een vaste opbrengst is gegarandeerd; en dat is beter dan afhankelijk te zijn van het toeval, dat zich af en toe behoorlijk tegen de bank kan keren. Ten derde omdat het casino een hoog percentage kan bedingen. In het normale Roulette wint de bank gemiddeld 2,7% van de inzetten. In Golden Ten is dat maximaal 7,7%, en minder wanneer de spelers behendig spelen. In Euroulette is de winst 10%, viermaal zoveel als in Roulette. Door Roulette te verbieden omdat het een kansspel is, drijf je de exploitanten naar een spel waarin het publiek viermaal zoveel verliest. Is dat een gewenst effect van de wet?

Het enige nadeel van de Euroulette-constructie is dat de spelers het land krijgen wanneer hun geld naar andere spelers gaat in plaats van naar de bank. Het doorbreekt de solidariteit tussen spelers die de meeste casino's kenmerkt, en die ontstaat doordat veel spelers in gelijke mate pech hebben. Bij een vrije keuze tussen Roulette en Euroulette zullen de spelers zeker Roulette prefereren, niet omdat ze daarbij minder verliezen, maar omdat ze tenminste niet aan elkaar verliezen.

Uit de vervolging van speelclub 'De Keyzer' is duidelijk dat de staat ook de Euroulette-constructie afwijst. Maar bij een geschikte keuze van het te spelen spelletje zal een vervolging niet kunnen berusten op de Wet op de Kansspelen. Welke andere mogelijkheden zijn er? Niets doen lijkt uitgesloten; ik voorzie dat dan binnen het jaar ons land voor de tweede maal wordt overspoeld door een golf van casino's. Ditmaal niet met Golden Ten-inrichtingen, maar met Euroulette-constructies in de vorm van Bingo, Roulette, of wat dan ook; de mogelijkheden zijn onbeperkt. De Golden Ten-golf (op het hoogtepunt ongeveer 150 casino's, sommige met meer dan 100 werknemers) zal daarbij vergeleken niets zijn. Ik kan vier manieren verzinnen om dat te voorkomen. Geen van de vier is echter eenvoudig.

Ten eerste zou je de exploitanten van Euroulette-spelen kunnen beschuldigen van oplichting. Ze bieden een spel aan dat door de behendigsten wordt gewonnen, maar kleden het zodanig in dat gokkers die de behendigheid in mindere mate bezitten zich toch ertoe voelen aangetrokken. Een eerlijke voorlichting zou zeggen: ' Dames en Heren gokkers, doe niet mee aan dit spel; er zijn enkele zeer behendige lieden in de zaal waartegen u geen kans hebt.'

Maar alleen de keuze van de naam Euroulette demonstreert al dat de exploitanten juist het tegengestelde doen: ze benadrukken de overeenkomst met kansspelen. Ik ben geen jurist, maar ik denk niet dat beschuldiging van oplichting veel kans biedt. Het vraagt een wel erg uitgerekte interpretatie van het begrip oplichting.

Een tweede mogelijkheid lijkt me dichter aan te sluiten bij de maatschappelijke schade van gokken. De oplossing zou dan gelegen zijn in het creeren van een bescherming tegen impulsgedrag. Een vergelijkbare constructie is opgenomen in de Colportagewet; na het doen van een impuls-aankoop aan de deur, heb je een bedenktijd waarin je op je beslissing kan terugkomen. Het meedingen naar prijzen in casino's heeft iets van een impulsaankoop. Door de ambiance word je verleid tot het vergokken van veel meer geld dan goed voor je is. De wetgever zou kunnen bepalen dat bij het mededingen naar prijzen in behendigheidsspelen 24 uur bedenktijd gegarandeerd moet zijn. Dat laat het organiseren van sportevenementen onverlet, maar de Euroulette-constructie zou erdoor onmogelijk worden: je zou maar een ronde per etmaal kunnen spelen.

Ook deze tweede weg lijkt me moeilijk te begaan, omdat de bezorgdheid van de staat voor haar burgers vals klinkt: bij het organiseren van kansspelen geeft de staat geen enkele blijk van bezorgdheid. Wie de discussie volgt over het colporteren van instantloten door jeugdige leden van sportverenigingen, is daarvan wel overtuigd.

Raad voor de Casinospelen

De derde mogelijkheid is een eerlijk systeem van vergunningverlening, waarbij de staat niet de enige kandidaat is. In Engeland wordt zo'n systeem met veel succes gehanteerd. Het geeft de overheid een vrijwel absolute controle over het gokcircuit, zonder zelf de belangrijkste ondernemer te zijn, en zonder dat er een illegaal casinowezen ontstaat. Er is wel voor nodig dat er een controle-instantie ontstaat. Door een verbreding van onze 'Raad voor de Casinospelen' naar 'Raad voor de Kansspelen' is dat gemakkelijk te realiseren. Particuliere casinobedrijven zullen liever echte kansspelen dan Euroulette-constructies exploiteren, omdat ze daarmee een groter publiek trekken.

De vierde mogelijkheid die ik zie is een aanpassing van de Wet op de Kansspelen. De wet zegt nu dat het verboden is om zonder vergunning het publiek gelegenheid te bieden mee te dingen naar prijzen ' indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen'.

De tussen aanhalingstekens geplaatste bepaling kan gewoon worden geschrapt. Er staat dan dat je voor ieder spel vergunning moet hebben. De overheid gaat nu ook al op een oncontroleerbare wijze met de vergunningverlening om. Ze maakt zichzelf tot de belangrijkste ondernemer. Ze geeft Ladbroke-winkels 250 vergunningen. Maar ze geeft Golden Ten-casino's, vaak keurige en aantrekkelijke etablissementen, zonder opgaaf van reden geen vergunningen.

Waarom de willekeur niet nog een stukje uitgebreid? Wanneer het vergunningenstelsel van toepassing wordt op alle spelen kan de overheid naar bevind van zaken zelf bepalen wat gewenst is en wat niet. Het is zelfs denkbaar dat je de willekeur beperkt door de vergunningverlening niet in handen te geven van ambtenaren, maar van een gekozen 'Raad voor de Kansspelen'. De onoplosbare problemen rond de precieze definitie van kans- en behendigheidsspelen zijn dan van de baan. En er komt geen tweede casinogolf.