Alternatieve therapie voor borstkanker wordt gerehabiliteerd

De vijf Engelse onderzoekers die onlangs de alternatieve borstkankerbehandeling van het 'Bristol Cancer Help Centre' vergeleken met een conservatieve therapie (besproken in deze bijlage, 25 september) hebben zoveel gegronde kritiek gekregen dat ze hun conclusies moesten intrekken. In een reactie in 'The Lancet' van 10 november erkennen zij dat hun artikel niet voldoende onderbouwd was. Ze hadden daarin geconcludeerd dat de alternatieve kankerbehandeling in Bristol schadelijk was. Dat trekken ze nu terug; ze stellen alleen nog maar dat de alternatieve behandeling ook geen aantoonbaar gunstig effect heeft tegen kanker.

Een belangrijk punt van kritiek was dat de twee groepen patienten niet vergelijkbaar waren. In het oorspronkelijke artikel wekken de onderzoekers de indruk dat er slechts geringe verschillen bestonden, maar bij nadere analyse van de twee patientenbestanden blijkt dat er bij de alternatief behandelde groep patienten veel vaker plaatselijke uitzaaiingen voorkwamen. De onderzoekers beschreven alleen hoelang het duurde voordat de eerste uitzaaiing op afstand optrad. Nu erkennen ze dat een lokale uitzaaiing de prognose veel slechter maakt: er is dan een groter gevaar dat de ziekte terugkomt. De subsidiegevers van het onderzoek voegen er in een kort briefje in The Lancet met gevoel voor understatement aan toe dat de studie in ieder geval heeft opgeleverd dat patienten zich kennelijk tot alternatieve therapieen aangetrokken voelen als ze voelen dat hun vooruitzichten slecht zijn.

Een tweede groot bezwaar vormde de statistische bewerkingsmethode van de vijf Engelsen. Bij gebruik van andere - kritischer - testmethodes blijkt van het aangetoonde verschil in effectiviteit van de behandeling niets over te blijven. De prognose voor de alternatief behandelde patienten blijkt dan even goed (of slecht) als die voor de andere patienten.

De algemene teneur van alle kritiek is dat je bij zo'n onderzoek niet zomaar mensen die een alternatieve behandeling ondergaan kunt vergelijken met andere patienten. De vrouwen die in dit geval voor een alternatieve therapie kozen konden allerlei redenen hebben om dat te doen, bijvoorbeeld juist omdat ze ernstiger ziek zijn. Ze hadden dus misschien een heel andere prognose dan degenen die de conservatieve weg bewandelden. Het onderzoek zou wel zinvol zijn geweest als de patienten willekeurig ingedeeld waren voor de ene of voor de andere behandeling. En dat is tegelijk het probleem: in de alternatieve geneeskunde vindt men - vermoedelijk terecht - dat de motivatie van een patient om voor een alternatieve behandeling te kiezen mede bepalend is voor het resultaat. Ook in het 'Bristol Cancer Help Centre' was dat het uitgangspunt, een willekeurige steekproef vond men daar onaanvaardbaar. Afgezien daarvan lijkt het in elk geval niet verantwoord om zulke ernstig zieke mensen een behandeling te geven waarvoor ze zelf niet gekozen hebben. Voorlopig lijkt een definitieve uitspraak over de waarde van een alternatieve therapie dus nog ver weg.

    • Bart Meijer van Putten