'Als iemand toen tegen me had gezegd dat ik nu onderaan de afvloeiingslijst zou staan, had ik geantwoord: je bent gek.'

Het is even zoeken op het bord in de hal van de Weijerhofschool in Boxmeer. De naam van Henk Coppus (35) staat niet in het rijtje van groepsleerkrachten maar onder 'overig personeel'. Toch werkt hij al bijna tien jaar als onderwijzer op deze school. Sinds de fusie in 1988 tussen 'de Elzenhof' en 'de Biest', twee noodlijdende katholieke basisscholen in het centrum van Boxmeer, geniet Henk Coppus de status van 'samenvoegingsboventallige'.

En na de zomervakantie is hij zelfs dat niet meer. Al twee keer in zijn twaalfjarige onderwijzersloopbaan is Coppus in een afvloeiingsregeling *

echtgekomen. Beide keren als gevolg van een teruglopend leerlingenaantal. ' De eerste keer zat ik nog maar drie jaar in het onderwijs, dus was het niet zo vreemd dat ik als eerste moest vertrekken. Maar als iemand toen tegen me had gezegd dat ik nu nog onderaan de afvloeiingslijst zou staan, had ik geantwoord: je bent hartstikke gek.'

Toch is het zo, want het verloop op de scholen in Boxmeer is gering. Toen 'de Elzenhof' en 'de Biest' fuseerden hadden ze ieder nog ongeveer honderd leerlingen. Nu ze samen de Weijerhofschool vormen is dat aantal verder teruggelopen tot honderdveertig. ' Gezinnen met jonge kinderen vestigen zich vooral in de buitenwijken. Daar staan de scholen waar nog groei in zit.' Het leeggekomen schoolgebouw van 'de Biest' is inmiddels in gebruik genomen door de antroposofische Vrije School.

Op de tafel voor Henk Coppus ligt het 'Draaiboek fusie'. Uit zijn tas haalt hij nog een dikke map waarin hij alle nota's, verslagen en aantekeningen bewaart. De fusie was in een half jaar beklonken. Vooral dankzij het ijzeren schema van het 'Draaiboek', dat van week tot week voorschreef welke stappen moesten worden gezet. Iedereen wist waar hij aan toe was, wat van de periode daarvoor niet gezegd kan worden. ' Vier heel onrustige jaren', herinnert Henk Coppus zich. ' Je staat als team in feite met je rug tegen de muur. Toch vecht je tot het uiterste voor het behoud van je school. We wisten dat het grootste deel van ons personeel zou worden weggevaagd, want de leerkrachten op de andere school hadden een langere staat van dienst.'

Vanaf 1983 werd er al over een fusie gesproken. Toch werd ieder jaar opnieuw een 'onderwijskundig antwoord' gezocht op de steeds kleiner wordende school. ' We gingen het klassikale systeem doorbreken en lieten de kinderen steeds zelfstandiger en in groepjes werken. Het was een kwestie van puzzelen. Maar toen in 1987 het aantal leerlingen scherp daalde, dreigden we de grens van vier leerkrachten te bereiken. Daardoor zou de kwaliteit van het onderwijs in het geding komen. Bovendien was het voor het schoolbestuur onacceptabel dat er nog meer lokalen leeg zouden komen te staan. Ongebruikte lokalen kosten immers geld. Er ontstond langzamerhand een ontmoedigende sfeer in het team. We konden geen kant meer op.'

Volgens Henk Coppus is er in het half jaar van de fusie ' ontzettend hard gewerkt'. ' We waren samen een klus aan het klaren. We hadden een nieuw perspectief en er ontstond een stemming van we-maken-er-wat-van.' Fusies hebben zeker ook hun positieve kanten, meent hij, want scholen kunnen een hoop van elkaar leren. Het zijn nog veel te veel eilandjes.

Al vrij snel nadat het besluit was genomen om de twee basisscholen samen te voegen kwam de afvloeiingslijst op tafel. Daar werd niet geheimzinnig over gedaan en van haat en nijd tussen de blijvers en de boventalligen was geen sprake. Moeilijk was het wel. ' Het is een kwestie van tellen en wegstrepen', zegt Henk Coppus. ' Twee leerkrachten moesten meteen het veld ruimen. Een aantal anderen, waaronder ik, mocht als 'samenvoegingsboventallige' nog drie jaar aanblijven. We moesten in feite voor het belang van de school en tegen onze collega's stemmen en dat doet pijn. Temeer daar degenen die weg moesten juist hele goede leerkrachten waren. Een klap voor de school.'

Het systeem van dienstjaren tellen schept wel duidelijkheid, vindt Coppus, maar heeft als groot nadeel dat de didactische kwaliteiten en prestaties van het personeel buiten beschouwing blijven. ' Pas als alle leraren dezelfde inzet en dezelfde kwaliteiten hadden, zou het een eerlijk systeem zijn.' Dat er duidelijke verschillen zijn wordt door niemand ontkend; men weet wie de beste en de slechtste leerkrachten zijn. Alleen, er wordt niet over gesproken en bij ontslag mag het al helemaal geen rol spelen. Want wie moet dat beoordelen, zo vraagt Henk Coppus zich af. Het bestuur, de directie? En hoe pak je dat aan zonder scheve verhoudingen te krijgen? ' Nee, wie vijfentwintig jaar in dienst is en geen fluit uitvoert hoeft echt niet bang te zijn voor zijn baan.'

Tot voor kort voelde Henk Coppus de 'hete adem' van volledige werkloosheid in zijn nek. ' Er is hier nauwelijks werk in het onderwijs en ik zag me in augustus al thuis zitten, terwijl alle kinderen voorbijkomen op weg naar school. Ik hoop het nooit mee te maken.' Dat hoeft waarschijnlijk ook niet, want intussen heeft Coppus een part-time aanstelling verworven op een 'groeischool' in een van de Boxmeerse buitenwijken waar nog gezinnen met jonge kinderen wonen. Gevolg is dat hij tot de zomervakantie op twee scholen werkt met alle dubbele taken van dien, en na de zomervakantie misschien gedeeltelijk werkloos wordt. Tenzij de groeischool zodanig groeit dat er per april weer extra uren bijkomen. Bij alle onzekerheid weet Henk Coppus in ieder geval een ding zeker: ook op de nieuwe school staat hij onder aan de afvloeiingslijst.