Vitaal nieuw werk bij Asko Ensemble

Concert: Asko Ensemble en Schonberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw, met Hebe Dijkstra (alt), Harry van der Kamp (bariton) en Charles van Tassel (bariton). Werken van Bach/Andriessen, Verbey, Ravel/Verbey en Andriessen. Gehoord: 24/11 Concertgebouw Amsterdam. Radio-uitz. 26/11 Vara.

Bewerken en bewerken is twee. Want wat te denken van een transcriptie van Bachs Tweede Sonate voor vioolsolo in a BWV 1003 voor acht hoorns? Zijn dat dan niet ten minste zes te veel?

Louis Andriessen behandelde Bach zoals de hoornorkesten van lijfeigenen de Russische adel amuseerden met mozaiek-achtige bewerkingen van bij voorbeeld een Gluck-ouverture, waarin kleine partjes melodisch en harmonisch materiaal over de stemmen werden verdeeld. Omdat het verzadigde timbre van de grote hoorngroep elke poging tot articulatie in een wollige klankbrij deed smoren, ontstond zaterdagavond in de Vara-matinee een ouverture die inderdaad eerder aan een plechtige Gluck herinnerde. Zo moet je een pregnante Bach toch niet te lijf gaan!

Deze vervreemdende 'hoorn-Paganiniana' hebben we te danken aan Andriessens eigen compositie Mausoleum, waarin de acht hoorns de stem van Bakoenin verklanken. De filosoof van het anarchisme, die in Dieu et l'etat korte metten maakte met het gezag van priesters en adel, spreekt bij Andriessen weliswaar door de monden van twee baritons, maar van de articulatie is niets te verstaan. In het tweede deel, ditmaal op een graftekst van de Zwitserse journalist Arthur Arnould, slaat de stemming (moordend hard) opeens om en juist in deze onderkoelde lyriek waren Reinbert de Leeuw en de zijnen op hun best. De spanning ebde geen moment weg.

Theo Verbey had aan dit concert een bewerking en een groots opgezette eigen compositie bijgedragen. De drie nagelaten liederen van Ravel voor zangstem en piano bleven correct raveliaans in een omzetting voor houtblazers, piano, harp en strijkkwintet. Alleen in de Ballade de la Reine morte d'aimer eiste een net iets te excentrieke kleurbehandeling te veel de aandacht op. En over wollige timbres gesproken: de alt Hebe Dijkstra zong prachtig, maar slecht gearticuleerd.

Het hoogtepunt was voor mij de uitvoering van Verbey's Expulsie (1988-1990) voor elf blazers, twee slagwerkers, piano, harp en strijkseptet. Met Inversie (1987) voor tien instrumenten en het trio Contractie (1988) vormt Verbey's nieuwe werk een drieluik. Bovendien sluit Expulsie direct op Aura (1985) aan en zo vormen al die werken van Verbey een grote familie. Na het uiterst gedetailleerde Aura, nam de complexiteit geleidelijk af.

De delen een en twee van Expulsie waren nieuw. Typerend is de guillotine-techniek, een nog niet bestaande term die ik hierbij introduceer om een veel voorkomende speelwijze in de hedendaagse muziek te typeren: het opeens met een harde slag afkappen van snijdend lange noten. Het tweede deel is het meest eenvoudig uitgevallen, de pianosolo eruit zou zo in de Champagnebar van het Concertgebouw uitgevoerd kunnen worden als een koele blues met 'bubbelende' stacato-figuren.

Verbey boeit mij omdat hij twee kanten heeft: hij weet een Andriessen-achtige motorieke vitaliteit te vermengen met een instrumentale behandeling die niets heeft van plakkaatverf, maar gemaniereerd impressionistisch aandoet. Al die subtiele verschillen werden knap gerealiseerd, er was niets aan het toeval overgelaten.

    • Ernst Vermeulen