Themadag over de overlevingskansen van het Nederlands; 'De rijkste taal ter wereld'

Mocht het Nederlands in de toekomst de 'werktaal' worden in de Europese Gemeenschap, dan hebben we dat te danken aan de Belg J. Deleu. 'Waarom ook eigenlijk niet', ondersteunde zaterdag een spreekster in de congreszaal van de Utrechtse Jaarbeurs het idee dat de Vlaming presenteerde op de themadag over de kansen van het Nederlands, georganiseerd door Genootschap Onze Taal. 'Als Frankrijk, Duitsland en Engeland elkaar niet gunnen dat een van hun talen de Europese voertaal wordt, dan maakt het Nederlands, dat een middelgroot taalgebied vertegenwoordigt, een redelijke kans.'

De schrijver Deleu, tevens hoofdredacteur van Ons Erfdeel, was een van de inleidende sprekers op de themadag, die meer dan duizend belangstellenden in de Nederlandse taal trok - het drukst bezochte congres dat het genootschap ooit had georganiseerd.

Deleu, die de beslissing van de Vlamingen om te kiezen voor het Nederlands en niet voor een Algemeen Schoon Vlaams in historisch perspectief plaatste, is ervan overtuigd dat de Nederlandse taal niet kan worden bedreigd door grote en nieuwe Europese verbanden, maar alleen door onzorgvuldigheid en gebrek aan creativiteit.

Is het wel belangrijk dat het Nederlands behouden blijft? Eigenlijk niet, liet prof.dr. H. van den Bergh, hoogleraar cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit in Heerlen, weten. Hij maakte zich geen zorgen; immers voor de cultuur - symbolische handelingen en uitingen om zin aan het leven te geven - is het handhaven van een taal niet belangrijk. Natuurlijk is het gevoelsmatig wel jammer; elke taal is mooi, maar denk bij een intereuropese taal eens aan de voordelen voor kennisoverdracht en communicatie. Een 'lingua franca' zou volgens hem een eind kunnen maken aan de enorme verspilling die nu bestaat als gevolg van de veeltaligheid. Onze bestaande literatuur zou vertaald kunnen worden en daardoor voor een veel groter publiek beschikbaar zijn. Bovendien zou de smeltkroescultuur die ontstaat een geweldige stimulatie zijn voor onder andere de literatuur.

Ivo de Wijs had een andere mening. De tekstschrijver vertelde slechts in het Nederlands iets moois of geestigs te kunnen maken omdat hij alleen in zijn moedertaal voldoende idioom, grammaticale kennis en vooral voldoende wendbaarheid bezit. Hij hekelde de platheid van de vaderlandsloze beelden en muzieknoten die ons via vele televisiekanalen bereiken, en de Nederlandse drang kosmopoliet te willen zijn. 'Daartoe zijn we onmiddellijk bereid onze taal te verloochenen en onze cultuur te veronachtzamen. Ik, nauw verbonden met taal en cultuur, zie allerlei merkwaardige dingen gebeuren.' De Wijs waarschuwde: de wereld uit een stuk komt eraan. Alle tekenen wijzen daarop, maar de cultuur van de grenzeloze continenten zal ons op den duur niet bevredigen. Wie op voorhand een indruk wil krijgen moet maar eens een half uurtje heen en weer schakelen van Sky naar Super naar Sky. Een vaderlandsloze cultuur zal zich volgens hem in de toekomst opnieuw willen voeden en daarvoor op zoek gaan naar de oude, voormalige vaderlanden. Die vaderlanden zijn dan, helaas, verdwenen.

Schrijver Gerrit Krol hield een pleidooi voor het verdedigen van de 'rijkste taal ter wereld', 'dat is de taal waarin je voelt en denkt en voor de Nederlanders is zonder enige twijfel het Nederlands de rijkste taal ter wereld'. Krol was nogal pessimistisch over de toekomst van het Nederlands. Hij zei maar weinig Nederlanders te kennen die nationaal - 'of misschien moet ik wel zeggen provinciaal' - genoeg zijn om het Nederlands de belangrijkste taal ter wereld te vinden. Hij illustreerde dit onder meer met de stelling: als we zeggen dat we onze talen spreken bedoelen we daarmee altijd Frans, Duits en Engels, Italiaans desnoods, maar nooit eens onze eigen taal.

Politicus A. Nuis, voorzitter van de Tweede-Kamercommissie voor Welzijn en Cultuur, pleitte ervoor dat de rol van het Nederlands in het hoger onderwijs in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs wordt vastgelegd. Als minister Ritzen van onderwijs dat niet doet, zal hiertoe een wetsvoorstel komen van een meerderheid van de Tweede Kamer, zo dreigde hij. Europese veeltaligheid is van essentieel belang voor het Europa van de toekomst, aldus Nuis. De politiek om het Nederlands te koesteren heeft niets te maken met eng nationalisme, het handhaven van verschillende talen in Europa kan met Europese argumenten worden verdedigd. Om in het toekomstige Europa een eigen rol te kunnen spelen zijn juist een eigen taal en identiteit nodig. Culturele veelvormigheid is juist de kracht van Europa. Aan het Europees Verdrag moet daarom volgens Nuis hoognodig een culturele paragraaf worden toegevoegd.

Nuis, en ook Deleu, stelden dat Nederland en Vlaanderen de positie van de Nederlandse Taalunie moeten versterken en op de verschillende fronten beter moeten samenwerken. Ook moet er weer een Nederlands-Belgische stichting worden opgericht voor het bevorderen van Nederlandse literatuur in vreemde talen.

Een warm pleidooi van een spreker uit de zaal voor het invoeren van het Esperanto in het Europa na 1992 werd door en gedeelte van de toehoorders met instemming begroet, maar dan wel als werktaal want, zoals De Wijs de mening van velen verwoordde: bij Esperanto mis je toch de wortels.

    • Dik Rondeltap