Oostenrijks dividend

Deze week heeft de ontknoping gegeven van een hoog oplopend diplomatiek probleem met Oostenrijk. Het ging om de herziening van het uit 1970 daterende belastingverdrag met dat land. Een belastingverdrag dient om te voorkomen dat internationaal werkende ondernemingen of personen, in twee landen belasting moeten betalen over de zelfde inkomsten.

Het verdrag regelt nauwgezet welk land over welke opbrengsten belasting mag heffen. Zo regelde een van de verdragsartikelen dat de Oostenrijkse fiscus belasting mag inhouden over dividend dat uitgekeerd wordt door een Oostenrijkse dochteronderneming aan het Nederlandse moederbedrijf (bijvoorbeeld Philips). Voor Philips vormt dat dan een verliespost, want dat belastingbedrag is niet met Nederlandse belastingen te verrekenen.

Het was dus een meevaller dat door een soort 'vormfout' in het verdrag de Oostenrijks bronheffing op dividenden op 1 januari 1989 geheel verviel. De zo ontstane 'vrijstelling' had Oostenrijk in al haar andere belastingverdragen weten te voorkomen. De Oostenrijkse regering klopte bij Nederland aan om de ongewild verloren gegane bronheffing van 10 procent door een aanpassing van het verdrag weer terug te krijgen. Daar had onze regering helemaal geen zin in, want bij elke onderhandeling is ons officiele uitgangspunt dat we een bronheffing van 0 procent willen, precies het percentage dat ons vanuit Oostenrijk in de schoot was gevallen.

Maar in het diplomatieke verkeer geldt het als buitengewoon bot om niet te willen praten met een verdragspartner die redelijke verlangens heeft. Bovendien zit Nederland zelf ook wel eens in zo'n lastig parket. Zo bleek Australie een paar jaar geleden bereid op stel en sprong een 'lek' in het verdrag met dat land te dichten. Dat 'lek' dreigde Nederland honderden miljoenen guldens per jaar te kosten. Het ging toen om de mogelijkheid hier belastingvrij rente van Australische hypotheken te genieten.

Nederlandse ambtenaren gingen dus met de belastingspecialisten van de Oostenrijkse regering om tafel zitten, maar het was niet van harte. Het overleg zat binnen de kortste keren dan ook muurvast. Er kwam wat ruimte in het Nederlandse standpunt met de democratisering in Oost-Europa. Staatssecretaris Van Amelsvoort van Financien ziet Oostenrijk als het nieuwe centrum voor de handel met Oost-Europa. 'Wenen ligt een stuk oostenlijker dan Praag en de afstand van Wenen tot de Hongaarse grens is maar 40 kilometer', aldus de bewindsman.

Het waren harde onderhandelingen, zo liet Van Amelsvoort de Tweede Kamer later weten. Oostenrijk wilde beslist 10 procent, Nederland absoluut 0 procent; het is weinig verrassend dat het compromis uitkwam op een bronheffing van 5 procent.

Voor het Nederlandse bedrijfsleven was dat 5 procent te veel. Het VNObegon een van haar meest intensieve lobby-campagnes van de afgelopen jaren. In eerste instantie had die succes. De fiscale specialisten in de Tweede Kamer gingen niet in op de wens van Van Amelsvoort om de verdragswijzing stilzwijgend goed te keuren. Zij wilden eerst weten waarom Nederland het meevallertje voor het bedrijfsleven voor de helft had prijsgegeven. Verscheidene kamerleden, zoals de CDA-er Vreugdenhil, vinden Oostenrijk in fiscaal opzicht geen sympathiek land. Men wil daar door het invoeren van een bankgeheim uitgroeien tot een belangrijk financieel centrum.

Met het weigeren van inlichtingen over banktegoeden rijden de Oostenrijkse banken de Nederlandse fiscus lelijk in de wielen.

Aan het accepteren van een Oostenrijkse bronheffing zou Nederland volgens Vreugdenhil de voorwaarde moeten verbinden dat Oostenrijk de Nederlandse belastingdienst meer gegevens gaat verstrekken. De Oostenrijkse regering, helemaal niet gecharmeerd van de wens van ons parlement om de onderhandelingen open te breken, liet weten onverkort aan het oorspronkelijke onderhandelingsresultaat vast te houden.

Anders zou zij het verdrag opzeggen. De gevolgen daarvan zijn lastig te overzien, maar het VNO liet de Kamer weten dat de Nederlandse multinationals het risico van een opzegging best willen nemen. De eerstvolgende opzegdatum zou toch pas 1 januari 1992 zijn. Ondertussen begonnen verscheidene parlementariers toch bloed voor het hart te krijgen. D66 gaf als eerste het verzet tegen het nieuwe verdrag op. Later gaf ook het CDA aan de Oostenrijkers toe. In een plenair debat ging het er om spannen. PvdA en VVD kozen aanvankelijk beide de kant van de multinationals. Deze kamermeerderheid sneuvelde toen VVD-woordvoerder Koning zei: 'Niet met vreugde zal ik mijn stem niet onthouden aan de goedkeuring van dit verdrag'.

Simpel gezegd liet Koning het VNO vallen en bleef de PvdA'er Van der Vaart als enige en vurige pleitbezorger van de ondernemersbelangen achter. Zijn inspanningen waren vergeefs, de verdragswijziging werd vorige week donderdag aanvaard.