Natuurplan maatschappelijk compromis

DEN HAAG, 26 nov. - Het Nederlands natuur- en cultuurbezit gaat hard achteruit. Een volledige opsomming van de teruggang van alle plant- en diersoorten, natuurgebieden en interessante landschappen die bescherming verdienen, zou een meterslange waslijst vormen. Daarin gaat het niet alleen om de bedreigde das en boomkikker, maar bijvoorbeeld ook om schrale graslanden, struwelen, meanders, smeltwaterdalen en landgoederen.

Veel van deze waarden komen aan bod in het Natuurbeleidsplan dat minister Braks (landbouw en natuurbeheer) vorig jaar publiceerde. Zijn plan, toen nog een discussiestuk dat na een advies- en inspraakronde in juni 1990 het karakter van 'regeringsbeslissing' kreeg, komt vandaag in de Tweede Kamer aan de orde. Het wordt verdedigd door de nieuwe staatssecretaris van landbouw en natuurbescherming drs. J. D. Gabor (CDA).

Op het Natuurbeleidsplan - een eerste poging van de overheid voor natuurbescherming een samenhangender beleid scheppen - is doorgaans met instemming gereageerd. Positief was ook het Landbouwschap als vertegenwoorder voor de boeren die natuurbescherming al snel in de portemonnee voelen. Het schap vindt het een goede zaak dat de overheid niet alle natuurwaarden, maar slechts die in een beperkt aantal gebieden wil beschermen.

Centraal in het Natuurplan staat dat een vrij groot aantal natuurgebieden aaneengesmeed moet worden tot een goedbeschermde 'ecologische hoofdstructuur'. Daarbuiten zouden natuur en landschap niet primair tot de zorg van het rijk behoren. Provincies, gemeenten en natuurbeschermingsorganisaties zouden zich daarover moeten ontfermen en zelf maar moeten zien wat zij er, al dan niet met steun van het rijk, aan doen.

Het idee van de ecologische hoofdstructuur komt er op neer dat diverse natuurgebieden en cultuurlandschappen door verbindingszones enerzijds en buffergebieden anderzijds, tot een bont netwerk worden gemaakt. Het denkbeeld daartoe had geen principieel ecologisch karakter, maar was een maatschappelijk compromis tussen landbouw- en milieubelangen. Binnen het ministerie van landbouw, dat in 1989 ook 'natuurbeheer' op zijn naambord en in zijn briefhoofd kreeg, was er jarenlang op gestudeerd.

De Nota natuurontwikkeling ging uit van een zuiver ecologische visie met een netwerk van pure natuurgebieden waarbinnen voor agrarische activiteiten geen plaats zou zijn. In grote natuurgebieden, zoals de Oostvaardersplassen of de Veluwe, zou de natuur, onder zekere randvoorwaarden, dan zijn eigen gang kunnen gaan en niet meer als cultuurgebied mogen worden benaderd.

Die gedachtengang vindt men niet alleen veel terug bij verenigingen als het Wereldnatuurfonds en Vogelbescherming, maar ook in het onlangs uitgegeven Manifest van de werkgroep-De Zeeuw/ Albrecht. Daarin wordt gepleit wordt voor een strikte, principiele scheiding van landbouw en natuurbehoud. De de boer is dan niet langer voor de instandhouding van natuurwaarden verantwoordelijk, maar krijgt daar ook geen betaling meer voor. Bij het ministerie van landbouw is deze denkwijze nog lang niet aanvaard. Dat bleek bij de presentatie van het Manifest aan staatssecretaris Gabor. Hij had er geen goed woord voor over en wees het zonder meer van de hand. Een zuiver ecologische benadering van natuurbescherming gaat hem te ver. Ook de meerderheid van de adviesraden en een groot deel van de particuliere natuurbescherming denken zo. Zij hebben bij natuurbehoud allereerst het door mensenhand gemaakte en door de boer 'verrijkte' landschap op het oog. Bij de discussie in de Kamer zal het daarom waarschijnlijk vooral over mogelijke uitbreiding of versnelling van het Natuurbeleidsplan gaan. En niet over de maatschappelijke kwestie of inschakeling van de boeren bij het behoud van het platteland niet veel te duur is. Nog minder over de principiele vragen die volgens biologen aan het beleid tot natuurbehoud ten grondslag liggen.