Lubbers rekent af met de jaren tachtig; De vrijblijvende verzorgende overheid is passo

ARNHEM, 26 nov. - In de jaren negentig wordt alles anders. Premier Lubbers rekende eergisteren voor een gehoor van rechters en officieren van justitie in Arnhem af met de jaren tachtig. In een terugblik op zijn premierschap gaf hij aan waar de fouten waren gemaakt, welke omstandigheden er waren samengelopen en welke conclusies hij daaruit trok.

Zo zal er in de toekomst bij nieuwe rechtsaanspraken meer worden gelet op de plichten voor de burger. De vrijblijvende, verzorgende overheid is passe. Ook zal de politiek zijn ambities moeten beheersen. Den Haag moet niet meer alles tot in detail willen regelen. Kwaliteit en controleerbaarheid van wetten komen voorop te staan. Uitstel van het spitsvignet afgelopen vrijdag noemde hij een voorbeeld van die nieuwe kritische houding. De massale criminaliteit, vaak veroorzaakt door 'calculerend gedrag', zal Justitie tot nieuwe rechtssystemen nopen. Als voorbeeld noemde de premier de lex Mulder, waarin verkeersovertreders alleen toegang tot de rechter krijgen nadat de boete is betaald.

Lubbers las geen uitgeschreven toespraak voor, maar associeerde vrij gedurende een uur en in zijn eigen jargon. Daarin was sprake van diverse 'elementen' waar doorgaans het nodige 'onder lag'. De premier was uitgenodigd door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak omdat hij in zijn Nijmeegse rede in september een appel had gedaan aan de rechterlijke macht om mee te werken aan normherstel in Nederland. Dat werd begrepen als een oproep tot strengere straffen, zoals de premier ook twee jaar eerder had gedaan. Binnen een deel van de magistratuur werd geirriteerd gereageerd op de 'bemoeizucht' van de politiek met de onafhankelijke rechterlijke macht.

De premier liet het zaterdag bij: 'We zijn toe aan een fundamentele discussie over de trias politica. Daarvoor moeten we de tijd nemen en kennis, expertise en ervaring met elkaar in contact brengen'. In de jaren negentig moeten 'beide onafhankelijke instanties met elkaar dialogeren zodat zij beter hun werk kunnen doen'. Er moest 'niet meer met de ruggen tegen elkaar' worden gestaan. Lubbers werkte dit voor de rechterlijke macht niet uit, maar wel voor de medische wereld. Ook dat was zo'n bastion waarvan hij zich afvroeg of de politiek er zich niet eens mee zou mogen bemoeien. Immers, 'die gescheiden beoordeling werkt in de samenleving niet altijd'. Als voorbeeld noemde hij de keuringsarts die in de WAO-problematiek een absoluut beslissende rol speelt. 'Past dat wel?' vroeg Lubbers zich hardop af. 'Moeten we elkaar geen vragen stellen over elkaars werkterrein?'. Wellicht kunnen de artsen dan de sociale partners uitleggen hoe ze hun cao's moeten inrichten om het beroep op de WAO te verminderen, suggereerde hij.

Over de jaren tachtig sprak de premier als van een grote afstand. Het was een periode waarin het vertrouwen van de burger in de overheid 'afbrokkelde'. De overheid vertoonde zelf 'krampverschijnselen'. Justitie in het bijzonder raakte overbelast. Om te beginnen 'is de politiek decadenlang erg ambitieus geweest'. Op alle terreinen rukte de wetgever op met gedetailleerde voorstellen. In de jaren tachtig verminderde tegelijk in de samenleving de sociale controle. De burger geneerde zich steeds minder voor een overtreding. 'Het heeft lang geduurd voordat we daar consequenties uit zijn gaan trekken', aldus de premier. Maar inmiddels is de begroting van Justitie de snelst groeiende van alle departementen, constateerde hij tevreden.

De verhouding met de burger werd bovendien aangetast door het bezuinigingsbeleid van de jaren tachtig, aldus de premier. Door de werkloosheid en de schuldenlast kon hij niet anders, maar zijn 'solide beleid' draaide wel uit 'op het aantasten van rechten en verwachtingen'. Lubbers: 'Er zijn in de jaren tachtig legio voorstellen gedaan waarbij de burger vaak ten onrechte, maar soms terecht dacht - mijn rechten worden aangetast'. In de politiek probeerde Lubbers dat dan te verkopen met termen als 'de pijn spreiden, ieder levert in, draagt een steentje bij. Maar het was natuurlijk niet best'.

Een andere handicap was dat tegelijkertijd door de rechter de gelijkberechtiging bij inkomensoverdracht door de overheid werd erkend. Niet alleen de traditionele kostwinner, maar ook partners in andere samenlevingsvormen kregen gelijke financiele aanspraken. Maar daarvoor was volgens Lubbers geen extra geld beschikbaar, waardoor dergelijke nieuwe aanspraken opnieuw tot 'ombuigingen' dwongen. Het verwezenlijken van nieuwe rechten leidde dus tot 'aantasting van weer andere rechten. De overheid zat klem'. Met enige jaloezie haalde Lubbers oud-premier Drees aan: 'Die zei me ooit dat in zijn tijd de overheid nooit een andere taak had dan een uitgave voorlopig niet te doen en als er dan wat verdiend was, kon er iets extra's gebeuren. Dat werd in de jaren tachtig een overheid die afpakte en aantastte.'

In de jaren tachtig ontdekten de rechters bovendien de internationale verdragen waaraan Nederland zich al in de jaren vijftig had aangesloten. De Nederlandse wetten werden opeens op grote schaal getoetst aan die verdragen. Volgens Lubbers was dat een 'merkwaardige omslag' in het klimaat. 'Men voelde zich minder geremd om te toetsen. Sterker, je schoot als rechter eigenlijk tekort als je niet toetste aan een internationaal verdrag'. Lubbers verklaarde dat door te wijzen op het imago van de overheid als aantaster van rechten. 'Dat zal ook naar de rechterlijke macht uitstraling hebben gehad'. Maar inmiddels lijken de onderlinge betrekkingen weer hersteld. Lubbers haalde met enige nadruk aan dat het kabinet werkt aan een toetsingsbevoegdheid aan de grondwet. Daarmee is de macht van de rechter over de wetgever straks ook in de formele wet erkend.

De president van de Hoge Raad mr. S. Royer zei in een slotwoord in Lubbers' Nijmeegse rede 'geen onvertogen woord' te hebben kunnen vinden. Hij vond het trouwens ook 'onverstandig' om de premier het recht te ontzeggen zich met strafrechtspleging bezig te houden. Zoveel heeft de rechterlijke macht ook niet van de premier te vrezen. Lubbers is volgens Royer 'een gezaghebbend man, maar juist wanneer hij zich richt tot de rechter dan is zijn gezag beperkt. Want wat hij zegt is maar een van de factoren op de weegschaal'.