Drek is drek, leugens zijn leugens

In zijn nieuwste bundel De ondergang van het morgenland wijdt Karel van het Reve een hoofdstuk aan de helaas in de kiem gesmoorde discussie over 'het gelijk van rechts'. Begin dit jaar organiseerde de Haagse Post (die kort daarop ongeveer tegelijk met de DDR ten onder ging) onder deze titel een debat in de Balie over het failliet van het communisme. Van het Reve heeft bezwaar tegen de begrippen 'rechts' en 'gelijk krijgen' en werkt die kritiek in zijn essay uit.

Maar ook om andere redenen dan Van het Reve aanvoert, was de titel ongelukkig gekozen. 'Links', dat zich meer dan wie ook zou moeten bezinnen op het bankroet van een ideologie die het op zijn minst ten dele heeft omarmd, voelde zich er niet door aangesproken. 'Het gelijk van rechts' sloeg namelijk niet alleen op de consequente kritiek uit die hoek op communistische regimes, maar impliceerde tegelijkertijd dat links die regimes zou hebben ondersteund. (Ex)CPN-ers, (ex)PSP-ers en (ex) nieuw-linksers werden aangevallen op hun loyaliteit aan of identificatie met communistische dictaturen, waarmee velen echter nooit enige verwantschap hebben gevoeld. De meeste studenten die begin jaren zeventig lid werden van de CPN waren ervan overtuigd dat die partij alle banden met Moskou had verbroken. Dat pleit Nederlandse (ex)communisten en sommige andere 'linksen' niet vrij, op zijn minst kan hun verregaande naiviteit worden verweten en een gebrek aan of te laat op gang gekomen steun voor dissidenten en oppositionele bewegingen in Oost-Europa.

Overigens kan het nauwelijks alleen aan een ietwat provocerend motto als 'het gelijk van rechts' liggen, dat links zich nog nauwelijks lijkt te bezinnen op het eigen ongelijk, want bij de (West)duitse radicalen is het al even stil. In Die Zeit beschrijft Mathias Greffrath dat links in Duitsland geen reden heeft om te treuren over het verlies van een utopie, noch over het uitblijven van de wereldrevoltie. Dat waren de teleurstellingen van een vorige generatie: Silone, Koestler, Orwell. De generatie 'linksen' van de jaren zestig en zeventig heeft volgens hem weliswaar illusies verloren, maar dat gebeurde ver voor het vallen van de Muur: in 1968, na het neerslaan van de Praagse lente, verdween het geloof in de mogelijkheid van een 'derde weg' in het Sovjet-imperium en in 1973 met de coup in Chili, het geloof in een 'derde weg' in het Amerikaanse imperium. Het enige alternatief dat toen overbleef was dat van 'de grote weigering', van 'het verzet tegen het moreel en esthetisch onverdraaglijke'.

Deze 'analyse' ontslaat links van iedere verantwoordelijkheid voor wat er uit naam van het communisme in Oost-Europa is gebeurd en Greffrath pleit dan ook voor beeindiging van het het debat over het bankroet van het communisme, nog voordat het goed en wel begonnen is. 'Wij hebben niet de minste reden onszelf ook maar iets te verwijten. Van datgene wat is gestrand, maakten wij geen deel uit.' Om 'rechts' ieder verwijt uit handen te slaan wijst hij vervolgens op de steun uit linkse kring aan Charta '77 en aan Solidariteit.

Of Greffrath gelijk heeft, is van hieruit moeilijk te beoordelen. In West-Duitsland was de communistische partij openlijk een filiaal van de Oostduitse SED en de 'linksen' tot wie hij zich richt, hebben zich daarmee nooit geaffilieerd. Anderzijds baseerde de Duitse studentenbeweging zich in de jaren zeventig in nog sterkere mate dan de Nederlandse op het marxisme en net als hier waren in West-Duitsland progressieve organisaties aanzienlijk actiever in het protesteren tegen rechtse dictaturen dan in acties tegen communistische regimes.

Mea culpa

Het debat over de medeplichtigheid van links wordt in Duitsland 'gered' door Ossies als Wolf Biermann, die domweg niet kunnen beweren dat ze schone handen hebben. In een vervolgartikel op dat van Greffrath in Die Zeit komt Biermann met een indrukwekkend mea culpa. Geen enkel ideologisch systeem, zegt hij, heeft tot nu toe zoveel mensen vernietigd als de communistische waan. Als 'excuus' voor zijn eigen communisme voert hij aan dat hij, net als zijn vriend Robert Havemann, jarenlang heeft gepredikt dat 'het ware communisme tegen het stalinisme moest worden verdedigd'. 'Uit deze ideologische constructie haalden we de geestelijke kracht ons in de strijd te storten.' Een Westerse variant van deze verontschuldiging was tijdens de tweede helft van de jaren zeventig het anti-stalinistische eurocommunisme, waaraan vooral intellectuelen zich vastklampten, totdat ze tot de pijnlijke conclusie kwamen dat communisme en stalinisme in essentie identiek zijn.

Biermann zegt het keihard: 'Wie tegenwoordig nog, in het aangezicht van de ontelbare slachtoffers van de communistische heilsleer, het zuivere communisme predikt tegenover het bezoedelde, beweegt zich op hetzelfde morele niveau als welke 'Edelnazi's' dan ook na 1945. Wij zijn niet beter dan zulke fijnbesnaarde Schiller- und Goethenazi's. Die houden vast aan het idee van het nationaalsocialisme als een nationaal georienteerde variant van het socialisme, die slechts door het antisemitische fanatisme van Hitler is gecorrumpeerd. Maar drek is drek en leugens zijn leugens. Er is geen rangorde in onschuldige slachtoffers.'

Tot zover klinkt het allemaal vrij bekend, maar wat is de les die Biermann hieruit trekt?

Brecht schreef in Galilei: 'Wie de waarheid niet weet, is slechts een stommeling. Maar wie de waarheid weet en haar een leugen noemt, is een misdadiger'. Biermann onderschrijft die beroemde woorden, maar nuanceert ze: het gaat erom wanneer iemand de waarheid behoort te weten en het blijkt heel moeilijk een morele tijdslimiet te stellen.

Met andere woorden: tot op welk moment mag een mens zich politiek vergissen?

'Iedereen weet', aldus Wolf Biermann, 'dat er tijden zijn waarin men gewoon een verkeerd beeld moet hebben, dat de illusie is als de lucht die iedereen inademt. Er zijn andere tijden waarin men zich misschien nog mag vergissen. Er is echter ook een historisch tijdstip waarop het een misdaad is een waarheid niet te weten. (...) maar dat tijdstip: wie bepaalt dat?'

Schuldvraag

Met deze vraag over politieke moraal tilt Biermann het debat uit boven een welles-nietes-spelletje over gelijk en ongelijk tussen rechts en links. Nu de generatie van '68 behalve post-War ook post-Wall is geworden, zou ze er goed aan doen net als Biermann de schuldvraag serieus te stellen en, indien mogelijk, te beantwoorden. In meer of mindere mate is (een deel van) die generatie 'medeplichtig' aan het instandhouden van een verwerpelijk systeem, maar ze heeft zich minder gecompromitteerd dan mensen die Stalin verdedigden of degenen die in de Tweede Wereldoorlog collaboreerden. Daarom lijkt zij de meest aangewezene om het 'vraagstuk van de eeuw', dat van politieke verantwoordelijkheid versus medeplichtigheid, door grondig zelfonderzoek bespreekbaar te maken en het van zijn loodzware 'ich habe es nicht gewusst-taboe' te ontdoen.

Mogelijk is niet precies vast te stellen wanneer onschuldig idealisme ophoudt en misdadige medeplichtigheid begint. Maar nu het einde van de koude oorlog eindelijk ook een streep onder de Tweede Wereldoorlog heeft gezet, ontstaat er wellicht een klimaat waarin het 'fout zijn' in beide oorlogen kan worden geanalyseerd, zonder de 'schuldigen' onmiddellijk voor Stalins massamoord respectievelijk Auschwitz verantwoordelijk te stellen.