Randvoorwaarden turnsters allesbehalve topsportgericht; Tietz als een vis op het droge

SLIEDRECHT, 24 nov. 'In Nederland is niet de topsport maar het beschikbare geld het uitgangspunt', stelt de ex-DDR-turncoach Reinhard Tietz. Vandaag en morgen treedt het nationale sextet turnsters onder zijn leiding aan voor een vriendschappelijke landenwedstrijd tegen Bulgarije. Bondscoach Tietz (41) is sedert 1 april in dienst van de KNGB. Hij presenteert in Sliedrecht een geheel vernieuwd en uiterst jong team.

'Eigenlijk komt deze wedstrijd nog te vroeg voor het team', stelt de Berlijner, die in 1987 bij het WK in Rotterdam met het DDR-team brons won. Zijn pupil Doerte Thuemmler veroverde toen aan de brug met ongelijke liggers zelfs een wereldtitel (samen met de Roemeense Daniela Silivas). Ook in Seoul was zijn team goed voor brons. Thuemmler viel toen aan brug net buiten de prijzen maar haar landgenote Dagmar Kersten won het zilver achter Silivas. Topcoach Reinhard Tietz voelt zich in Nederland dus als een vis op het droge.

Op Papendal (domicilie van het nationaal turninstituut) werkt hij dagelijks met een twaalftal geselecteerde turnsters die voor Nederlandse begrippen goede prestatieve perspectieven geboden worden. Een aangepast schoolrooster dat tweemaal daags trainen mogelijk maakt, een op het oog prima trainingsacommodatie, drie fulltime-trainers en bijna dagelijks een fysiotherapeute in de zaal.

Topsportgericht

Toch zijn de randvoorwaarden alles behalve topsportgericht volgens Tietz en dat maakt hem regelmatig razend. Zo is het bij voorbeeld onmogelijk om buiten de trainingstijden blessures intensief te behandelen. Het volgen van schoollessen op het Katholiek Gelders Lyceum in Arnhem en de beperkte financien staan dat in de weg. Anita van Santen met haar 23 jaar een veteraan in de Papendalselectie: 'Ik werd bijna gek op Papendal. Een overbelastingsblessure van mijn rechterknie haalde mij helemaal uit mijn trainingsritme. Het ergste is dat we hier niet drie of vier keer per dag behandeld kunnen worden.' Dus vluchtte de nationale kampioene aan de ongelijke brug naar Amsterdam om zich bij Richard Smit te laten behandelen. Anderhalve week lang onderging zij vier a vijf behandelingen per dag. Trainer Tietz gaf zijn zegen, want 'de medische begeleiding van het nationale team is gebaseerd op objectief financiele mogelijkheden en niet gericht op topsportbeoefening. De consequenties daarvan zijn dan ook ingrijpend. De helft van mijn tijd besteed ik aan topsporttraining, de andere helft aan revalidatietraining. Dat geeft veel tijdverlies.'

Ook het materiaal wordt naar de zin van Tietz niet snel genoeg vervangen. De turnvloer op Papendal is 'dood' gesprongen en mist dus de veerkracht om op een veilige manier het dagelijkse portie acrobatiek uit te voeren. Internationaal is per 1 september een ronde in plaats van een ovale brugligger ingevoerd. Op Papendal, maar ook dit weekeinde in Sliedrecht, wordt nog aan de verouderde liggers gewerkt. Ten slotte kan op het nationaal turninstituut slechts tweederde van de gewenste trainingsomvang voor topturnen gerealiseerd worden: 25 uur in plaats van 35 uur per week. 'Tijd is mijn grootste tegenstander', meldt Tietz die een contract heeft bij het gymnastiekverbond tot na het WK in september volgend jaar in Indianapolis (USA). 'Ik moet uit het niets een team voorbereiden dat goed kan presteren zowel in de vierkamp met de verplichte oefeningen als de vierkamp met de keuzeoefeningen.' Want van het WK-team 1989 is alleen de Haarlemse Sylvia Smal overgebleven. En evenals Van Santen blijft ook Smal dit weekeinde aan de zijlijn. De dag na haar nationale meerkamptitel in mei dit jaar kreeg de sindsdien uitgedijde Smal een pijntje in de pols die haar nu al zeven maanden grote beperkingen oplegt.

Een compleet debuterend team zal vandaag met de verplichte oefenstof en morgen met de keuzeoefeningen de strijd aanbinden met het te sterke Bulgaarse zestal. De laatste jaren staan de Bulgaarse turnsters zo tussen de vijfde en achtste plek op de wereldranglijst, terwijl Nederland zich met een positie tussen de zestiende en twintigste plaats tevreden moet stellen. De tweestrijd is dus een ongelijke. Daar komt nog bij dat Bulgarije ervaring in het team heeft. Guergana Peeva (17) debuteerde in 1986 bij de jeugd-Europese kampioenschappen met een vijfde plaats en was vorig jaar bij de Europese titelstrijd in Brussel zowel bij het paardspringen als op de vloer finalist. Een tweede topper is Maja Hristova, dit jaar drievoudig finalist bij de wereldbekerstrijd.

Nederland stelt daar louter debutanten tegenover. De helft van het team is pas dertien jaar. Daaronder behoort Monique Slootmaker, de jongste zus van Linda Slootmaker (15), die zelf de oudste is van het zestal. Maar ook Ilse Voet van Pro Patria uit Zoetermeer is in het team opgenomen. De legendarische turnclub uit de jaren zeventig zevenmaal landskampioen op rij en vele individuele toppers heeft na tien magere jaren eindelijk weer een vertegenwoordigster op nationaal niveau. De derde prille tiener is Wyke Karten, pupil van clubcoach Kalverboer. Toch zal het de Nijmeegse Elvira Becks (14) zijn die als enige in staat is om in de buurt van de Bulgaarse meisjes te komen.

Reinhard Tietz is benieuwd naar de wedstrijdverrichtingen van zijn jonge team. Vandaag is de ongelijke brug de zwakke schakel. De verplichte oefenstof kent nog technische manco's. Morgen zal het gebrek aan stabiliteit zich manifesteren is zijn verwachting. Toch zullen de meisjes voluit gaan met vele nieuwe elementen. 'De tijd heeft ontbroken de oefeningen te stabiliseren.' Opvallend is steeds weer zijn uitspraak 'tijd'. Op de keper beschouwd is Reinhard Tietz bezig met een onmogelijke opdracht. Een nieuw turnstersteam laat zich niet in anderhalf jaar voorbereiden op een WK. Daar is vier tot acht jaar voor nodig en continuiteit in het coachescollectief. De KNGB heeft zich nooit lang willen binden aan trainers en krijgt daar nu voor de zoveelste keer de rekening van gepresenteerd.