Poolse verkiezingen; 'Al het slechte komt door de joden-ministers'

Zondag gaan de Polen naar de stembus voor de verkiezing van een nieuwe president. In de campagnes is een oude gevoeligheid omhoog gekomen: de animositeit tussen 'echte Polen' en joden, ofwel tussen Walesa en Mazowiecki. Want ook de holocaust heeft geen verandering gebracht in het beeld van de samenspannende jood, de 'Zydo-Komuna', de anti-Pool. 'Anti-semitisme is hier nooit in diskrediet geraakt.'

Zwijgend staat een groep mensen in het centrum van Warschau op de bus te wachten. Ze kijken wat om zich heen, doden de tijd met kranten lezen of turen naar een muur met verkiezingsplakkaten. ' Nasz Premier, Nasz Prezydent' staat wat kleurloos en klein geschreven op een plakkaat van premier Mazowiecki, verderop hangen posters met een strak kijkende Lech Walesa. Plotseling loopt een oude man naar voren en trekt de poster met het lachende gezicht van Mazowiecki van de muur. ' Wat doet U daar, wat heeft dat eigenlijk voor zin?', vraagt een vrouw. ' Gaat U soms op een jood stemmen?', antwoord de man verontwaardigd.

Deze vraag hing in de lucht, al enige tijd. Toen twee maanden geleden de campagne voor de presidentsverkiezingen in Polen begon, werd het nog gefluisterd, eerst zachtjes, later steeds luider. Maar de afgelopen weken werd het steeds vaker gevraagd, in het openbaar, en vooral aan Walesa op zijn verkiezingstoernee. ' Lech, hoe zit het met de joden in Polen? Jij moet voorkomen dat ze weer over ons regeren.' Walesa antwoordde in een vast patroon, wat lachend en ook laatdunkend. ' Ik keur anti-semitisme af. Maar in dit land moet wel duidelijk zijn wie wie is. Ik zal daar voor zorgen. Joden houden zich hier verborgen onder andere namen. En ik vraag: Waarom? Dit is de oorzaak van het anti-semitisme. Laat ze uitkomen voor hun achtergrond! U kunt zeker zijn, ik ben een echte Pool.'

De 'ik ben een echte Pool campagne' van Walesa en zijn aanhangers van de Centrum-alliantie wakkerde het vuurtje aan, want kennelijk waren er kandidaten die ' geen echte Pool, dus joods waren'. De folders van de Centrum-alliantie lieten er geen twijfel over bestaan wie het doelwit was: ' Wees geen antisemiet, stem op Mazowiecki'. De bal lag daarmee in het kamp van tegenkandidaat Mazowiecki, geboren in Plock in 1927. Mazowiecki's vader overleed voor de oorlog, zijn broer kwam om het leven in het concentratie-kamp Stutthof. En Mazowiecki beriep zich nooit uitbundig op het Pool-zijn, hij ging nooit in op het tragische familie-verleden. Voor veel Polen een teken aan de wand. ' Had Mazowiecki soms iets te verbergen, was hij soms een jood?' Poolse kiezers begonnen deze vraag steeds openlijker te stellen, en sommigen ook steeds afkeurender. Mazowiecki's plakkaten werden van de muur gehaald, zijn afbeeldingen werden van 'Davidsterren' voorzien, of het opschrift 'Zyd' (jood). En in de folders van zijn tegenstanders werd het steeds onderstreept: de president van Polen ' moet wel een echte Pool' zijn.

Uitgerekend in zijn geboortestad Plock werd Mazowiecki op een pijnlijke wijze met de vraag geconfronteerd, op een bijeenkomst met zijn vroegere stadgenoten. ' Al het slechte komt door de joden-ministers', riep een oude vrouw die Mazowiecki te hulp wilde komen. ' Maar Tadeusz is geen jood. Ik kende zijn ouders, ze waren nette mensen, en beslist geen joden.' Mazowiecki tuurde in de zaal alsof hij door de grond zakte, hij zweeg. De bisschop nam het echter ook - vol goede bedoelingen - voor Mazowiecki op. ' Zulke argumenten mogen niet worden benut. Bovendien heb ik de documenten van de hele familie Mazowiecki onderzocht vanaf de vijftiende eeuw. Het klopt, hij is geen jood.' Voor veel Polen komen de 'geruststellende woorden' van de bisschop te laat. Zij werpen Mazowiecki op een hoop met de intellectuelen, de vroegere adviseurs van Walesa, die het voor de premier hebben opgenomen. ' Michnik, Geremek, Turowicz, het zijn toch allemaal verborgen joden?', vraagt een man aan Walesa op diens toernee. Hij wil ' de joden ontmaskeren.'

Ramen ingegooid

In Polen wonen nog circa 10.000 joden (in 1939 3,3 miljoen), maar het anti-semitisme borrelt in deze campagne op alsof het nooit is weggeweest. ' Het is ook nooit weg geweest', zegt Jan Jagielski van het Joods Historisch Instituut in Warschau. De ramen van het Instituut werden twee weken geleden ingegooid door een groep baldadige jongeren. Jagielski heeft in Polen een dagtaak aan het onderhouden van joodse begraafplaatsen die zijn geschonden. ' In Polen wil of kan men niet begrijpen dat begraafplaatsen voor joden heilige grond zijn.' Zo hebben de autoriteiten van Kalisz een school gebouwd op een joodse begraafplaats, terwijl er in de stad Bialystok een dagmarkt wordt gehouden. En in Sobienie zijn grafstenen ooit door de Duitse bezetter gebruikt om een weg te plaveien naar een katholieke kerk die als kantoor werd gebruikt. Dezelfde weg leidt nu naar de garage van de pastoor, die de ronde top van de stenen heeft gebruikt om zijn grasperk te versieren. Protestbrieven aan de pastoor hebben niet geholpen. ' Dit is eerder domheid en onwetendheid dan opzettelijk anti-semitisme', zegt Jagielski. ' De meeste Polen worden eenzijdig katholiek opgevoed. Gevoelens van joden laat hen onverschillig. Maar waar ligt de grens?'

De laatste maanden is de grens diverse keren overschreden. De 'Umschlagplatz' in Warschau - het monument in het vroegere getto van Warschau waar joden op de trein naar Treblinka werden gezet - werd besmeurd met het opschrift ' de beste jood is een dode jood'. Het duurde vier dagen voordat het stadsbestuur van Warschau de tekst van het monument liet verwijderen. Pas twee jaar geleden werd het wit marmeren gesteente opgericht: het is vaak het doelwit van 'vandalen'. Maar in de straten van Warschau, en andere steden of dorpen, kijkt niemand verwonderd op bij het opschrift 'Bij Zyda' (sla een jood dood) of 'Zydy do Gaz' (joden naar het gas). ' Anti-semitisme is in Polen nooit in diskrediet geraakt. Het gevoel van schuld ontbreekt', zegt Konstanty Gebert, een joods journalist die schrijft onder de naam David Warszawski. ' De Polen waren in de oorlog zelf ook slachtoffer, ze moesten ook alles doen om te overleven. De morele schok over de Holocaust is in Polen niet erg groot geweest. Ze zeggen: 'Wij hebben ook geleden'. Hier kan iemand een anti-semiet zijn, en verder een beste kerel. Het fenomeen is sociaal aanvaardbaar, anti-semitische boeken worden gewoon op straat verkocht.'

De grote pest

Het anti-semitisme heeft in Polen diepe wortels, zoals in veel landen in Europa die zich rekenen tot de 'christelijke beschaving'. Maar ook de tolerantie van Polen ten opzichte van joden heeft een traditie. In groten getale kwamen vervolgde joden eeuwenlang naar Poolse gebieden, waar nog ruimte was voor een 'newcomer'. De grote pest van 1348 in het westen van Europa, die daar tot pogroms leidde, en de jodenvervolgingen in Spanje en Portugal in 1496 zorgden steeds voor een toestroom van joden naar Polen. Want in Polen, een gebied waar ook Oekraieners, Duitsers, Witrussen en Litouwers woonden, konden de joden een speciale status houden. Ze hielden er hun gesloten gemeenschap, hun eigen taal en tradities: de voertaal was er Yiddisch, niet Pools. Er was een economische plaats voor de joden tussen de adel (szlachta) en de miljoenen arme boeren. Polen had geen middenstand, joden zorgden voor de verkoop van wodka, voor het bankwezen en winkels, ze vormden 'het scharnier' van de Poolse economie. Zij aan zij met Polen vochten joden aan het eind van de achttiende eeuw ook voor de Poolse onafhankelijkheid. En na de laatste Poolse deling (1795) door Rusland, Pruisen en Oostenrijk kwamen ook joden met Polen in opstand, zowel in 1830 als in 1863. De verhouding tussen Polen en joden was nooit vrij van fricties en spanningen. Er was geen wederzijdse liefde, Polen en joden leefden hun eigen leven, gescheiden van elkaar. Maar er was een minimum aan tolerantie: voor joden was er een relatief veilige plek in het heterogene Polen, veiliger dan in West-Europa.

En toch ging het aan de eind van de vorige eeuw mis, de fricties sloegen om in conflicten. Polen begonnen joden als vijanden te zien, en vaak ook andersom. ' De breuk werd veroorzaakt door het Poolse nationalisme en het socialisme', zegt Andrzej Leder, een Pool van joodse origine die zich bezighoudt met de onderlinge verhoudingen. ' De deling was een trauma voor de Polen. Ze waren een natie zonder land, temidden van minderheden. Ze gingen zoeken naar hun eigen identiteit, naar de Poolse ziel. Ze wilden Poolse gebieden, met alle groepen die niets met elkaar te maken hadden, filteren. En joden vormden een 'Fremdkorper', ze waren vreemd aan de Poolse identiteit, leefden religieus en cultureel volledig van Polen gescheiden.' En de Poolse nationalisten kregen een bondgenoot: priesters van de katholieke kerk, die zich ingeklemd wist tussen het protestante Pruisen en het orthodoxe Rusland. De priesters verkondigden niet alleen het geloof, maar na de vrijmaking van de boeren in 1863 ook de 'nationale Poolse gedachte'. De Polen zochten naar hun Pool-zijn, en vonden het mede in het katholiek-zijn, tot ergernis van het tsaristische Rusland. Van 1864 tot 1914 werden ruim duizend Poolse priesters naar Siberie verbannen: de band tussen nationalisten en kerk was gesmeed, de katholieke kerk werd een 'nationale instelling', hoeder van de Poolse ziel. En joden waren niet katholiek, voor nationalisten een criterium voor de Poolse identeit.

De tegenstelling tussen Polen en joden werd nog sterker door de industrialisatie, de opkomst van het prolelariaat in steden als Warschau en Lodz (waartoe ook veel joden hoorden) en de opkomst van het socialisme. Tot de oprichters van socialistische groepen behoorden ook Poolse joden en veel Russische joden die voor de pogroms van de tsaar naar Poolse gebieden waren gevlucht, de zgn. 'Litvaks'. ' Uit de joodse gemeenschap behoorden er relatief weinig tot de socialistische avant-garde, van revolutionairen moest de traditionele gemeenschap niets hebben, ze waren 'outcasts'. Maar in de communistische beweging was hun aantal relatief groot. Het communisme was makkelijk toegankelijk voor joden, het prees de gelijkheid en was internationalistisch.'

Maar voor Poolse nationalisten, die naar de onafhankelijkheid streefden, was het communisme pervers. ' Het was internationaal, geinspireerd vanuit Rusland en geleid door joden. In Polen was een stereo-type geboren: de 'Zydo-Komuna', de 'samenspannende jood' die tegenstander was van de Poolse onafhankelijkheid.'

Anti-Pool

De mythe van de 'Zyda-Komuna' heeft diepe sporen nagelaten, het maakte Polen en joden automatisch tot vijanden: jood werd synoniem met anti-Pool, en omgekeerd. In 1918, na de oprichting van de Poolse staat, vormden joden met ruim 3 miljoen mensen (in Warschau en Vilnius 40 procent van de bevolking, in Lodz dertig) een grote minderheid, die volledig afzonderlijk leefde in eigen gemeenschappen. Joden hadden weinig verwantschap meer met de Poolse staat, net zomin als de Oekraiense, Witrussische, Duitse en Litouwse minderheden, maar voor Poolse nationalisten waren zij het grote gevaar voor de jonge staat. Anti-semitisme bloeide op, een fenomeen dat werd verscherpt door de economische depressie. Het wantrouwen van de Polen werd zeer groot in 1939 toen joodse gemeenschappen in Oost-Polen de Sovjet-troepen verwelkomden in de hoop dat aan het anti-semitisme een einde zou komen. ' Dat was een schok voor de Polen', zegt Leder. ' Voor nationalisten was dit het bewijs dat joden tegen Polen waren.' Het wantrouwen bleef na de oorlog bestaan, hoewel van de 3,35 miljoen Poolse joden er slechts 369.000 de holocaust overleefden. Veel vertrokken er naar de VS of Palestina, temeer omdat hun bezittingen vaak door Polen waren overgenomen, en er in 1946 nog een pogrom was in Kielce, uitgevoerd door Polen. ' Voor de joodse emigranten was Polen een inert anti-semitisch land, ze waren extreem anti-Pools geworden. Als mijn familie-leden in Amerika het woord 'Polen' horen, lopen ze rood aan', aldus Leder.

In Polen werd de gespannen verhoudingen tussen Polen en joden door Stalin gebruikt: hij stuurde Poolse communisten van joodse origine naar Polen, waar ze functies bij de veiligheidsdienst kregen. Voor Stalin een nuttige zet omdat deze mensen in Polen toch nooit een eigen 'basis' konden oprichten. Maar voor Polen waren communisten als Jakob Berman en Jozef Rozanski het bewijs ' dat joden tegen Polen waren': opnieuw een bevestiging van de 'Zyda-Komuna'. Bij de destalinisatie kwamen deze mensen weer ten val, maar de mythe was ook na de oorlog gevestigd. Ook al waren er nauwelijks joden, het anti-semitisme bleef. In de Poolse communistische partij (PZPR) werden anti-semitische sentimenten soms gebruikt als middel om tegenstanders uit te schakelen. Zo voerde in 1968 generaal Mieczyslaw Moczar een 'anti-zionistische campagne' met als doel partijhervormers buiten spel te zetten. De poging mislukte, maar intellectuelen en liberale denkers kregen het stempel 'jood' opgedrukt. Intellectuelen en joden werden synoniem, vijanden van Polen. Deze tactiek gebruikte de PZPR opnieuw in de jaren zeventig tegen KOR, een groep critici onder leiding van Adam Michnik en Jacek Kuron, die nadien belangrijke adviseurs werden van Lech Walesa, voorzitter van Solidariteit. ' De PZPR kon dit etiket bij Solidariteit niet gebruiken', zegt Gebert. ' Solidariteit noemde zich officieel een vakbond, maar was een nationale en traditioneel-katholieke beweging die soms zelf anti-semitische elementen bevatte.'

Solidariteit groeide uit tot een verbond tussen intellectuelen (als Michnik, Kuron, de onafhankelijke Geremek en de katholieke denker Mazowiecki) en arbeiders onder leiding van vakbondsleider Walesa. En langs deze lijn is Solidariteit dit jaar ook weer gespleten, op initiatief van Walesa. De vakbond steunt Walesa terwijl zijn voormalige adviseurs zich hebben verenigd in ROAD, de Burgerbeweging voor Democratische Actie die Mazowiecki steunt. En het zijn de intellectuelen van ROAD die het etiket 'jood' opgeplakt krijgen door Walesa's aanhang. Voor Walesa is het een machtsstrijd van de ' Polen, katholieken en goede patriotten' tegen de ' on-Poolse intellectuelen, de links-liberale denkers'. ' Het is erg teleurstellend, ' zegt Leder, ' maar ook in het niet-communistische Polen is het woord 'jood' een symbool geworden in de politieke strijd. Een kandidaat moet kennelijk bewijzen dat hij geen jood is, want een jood kan geen goede Pool zijn. Door de assimilatie van de resterende joden na de oorlog moet er kennelijk worden gefilterd, gezuiverd. Alsof joden in het geheim iets uitbroeden, het eigentijdse idee van de Zydo-Komuna.'

Leder ziet een voedingsbodem voor anti-semitisme in Polen, en eigenlijk in heel Oost-Europa, nu het nationalisme opbloeit. ' De oude vijand is weg, de tijd van 'wij tegen hen' is voorbij. Er is politieke vrijheid, maar het gaat nog steeds miserabel. Hoe komt dat?', aldus Leder. ' Polen worden nu in Europa geweerd, ze hebben voor bijna alle landen visa nodig. Ze reageren teleurgesteld: 'Europa wil ons niet, wij de strijders tegen het communisme, wij de Polen worden met de nek aangekeken. Wie krijgt er de schuld?' Voor sommigen staat dat al vast: de joden. Zoals bij kandidaat Roman Bartoszcze, leider van de boerenpartij. Voor hem is de minister van financien, Leszek Balcerowicz, een 'Shabbat-Goi', een hulpje van de joden omdat hij met zijn economisch program de boeren wil laten verpauperen zodat 'Pools land kan worden gekocht door het Joods-Duitse kapitaal'.'

Walesa is wat subtieler, hij is een raspolitcus die voelt wat er onder de mensen leeft, er zonder scrupules op inspeelt en zijn critici uitmaakt voor 'eierhoofd' of 'jood'. Maar hij weet ook dat de vraag 'wie is jood' in het buitenland, en vooral bij de verre vriend de VS, niet op prijs wordt gesteld. ' Walesa is geen anti-semiet. Hij zal anti-semitisme nooit openlijk steunen', zegt Gebert. ' Maar hij zal er ook niets tegen doen. In feite kan het hem niet veel schelen en als hij president is, zullen de mythes, symbolen, het hele vijandbeeld gewoon in stand blijven. De kloof tussen Polen en joden is te breed geworden, onoverbrugbaar.'