Overzicht van het Belgisch Fauvisme in museum Elsene; Goden en lijstenwinkelskunst

Tentoonstelling: Het impressionisme en het Fauvisme in Belgie. Tot 16/12 in het Museum van Elsene (Ixelles), Jean van Volsemstraat 71, Brussel. Open di t/m vr van 13-19 uur; za en zo van 10-17 uur. Catalogus: Bfr 1450.

Het is onbegrijpelijk dat zich in een verpauperde Brusselse straat als de Rue Jean van Volsem, tussen de halfdichtgespijkerde afbladderende huizen en de jengelende kinderen, een museum bevindt. Toch behoort het Museum van Elsene, dat in 1892 werd opgericht, tot de belangrijkste musea van Belgie. Dat komt vooral door de collectie kunst van rond 1900.

Toen in 1903 La Libre Esthetique, de opvolger van de vernieuwende Groupe des Vingt, haar tienjarig bestaan vierde, kreeg organisator Octave Maus van alle kunstenaars die hij in de loop der jaren had gesteund een of meer werken cadeau, in totaal meer dan 170 stuks, onder meer van Theo van Rysselberghe, Emile Claus, Willy Finch, Fernand Khnopf, maar ook van buitenlanders als Toorop, Toulouse-Lautrec, Signac, Luce en de beeldhouwer Bourdelle. Octave Maus, die in Elsene woonde, gaf op zijn beurt dit gigantische geschenk aan het museum van zijn woonplaats.

De laatste jaren begint het Museum van Elsene of 'La Musee d'Ixelles' zo men wil zich meer en meer te profileren als het Belgische Museum van de Negentiende Eeuw. De in kunsthistorisch opzicht meest opvallende presentatie van het museum in dit kader was de grote tentoonstelling in 1985/1986 over het neo-classicisme in Belgie. Daarin stond de beroemde Franse schilder Jacques-Louis David centraal, die na de val van Napoleon als balling in Brussel woonde, waar hij een onuitwisbaar stempel op het kunstleven drukte.

Deze herfst zijn de bloeiende jaren 1880-1920 aan bod gekomen, weer een periode waarin Brussel op kunstgebied Parijs de loef afstak. Organisator Serge Goyens de Heusch geeft met de titel van deze tentoonstelling, Impressionisme en Fauvisme in Belgie, al aan dat hij bij zijn keuze vooral vormcriteria heeft gehanteerd. Hij beperkte zich tot de schilders van het licht en de losse toets, waardoor met name het symbolisme, met Khnopf en Spilliaert, en het beginnend expressionisme geheel buiten beschouwing werden gelaten.

Burgermanssalon

In de zalen klinkt constant zachte muziek van Faure, Chausson, Lekeu, stukken die ook tijdens de salons van Les Vingt en La Libre Esthetique hebben geklonken. Maar wie voor het doek La musique russe van James Ensor staat, kan zich nauwelijks voorstellen dat de in het grijs geklede heer die met zijn hoge zijden voor zich op tafel in een stemmige burgermanssalon naar een pianospelende dame luistert, deze transparante, 'moderne' muziek heeft gehoord. Maar Ensors prachtige, stemmige schilderij uit 1882 hangt dan ook betrekkelijk in het begin van deze grote tentoonstelling, die in verschillende fasen is onderverdeeld.

Van de eerste Belgische plein air-schilders, zoals Hippolyte Boulenger en de jonge Felicien Rops, loopt de lijn via schilders met een lichter palet (Alexandre Marcette en Eugene Boch) naar het neo-impressionisme van Van Rijsselberghe, Henry van de Velde, Georges Lemmen en de wat minder ingetogen Brusselaar Jean-Jacques Gailliard, die leefde tot 1976.

Daarna gebeurt er iets geks. In de eerste helft van de tentoonstelling zijn met een enkele uitzondering uitsluitend de bekende, gevestigde meesters vertegenwoordigd, soms met verrassend gekozen, maar nooit met slechte doeken. Met wat hij 'de tweede impressionistische golf' noemt lijkt het wel of de samensteller op hol is geslagen. Veel te veel onbeduidende schilders of onbeduidende schilderijen van goede kunstenaaars verdringen elkaar hier. Die keuze kan niet worden teruggevoerd op de door Maus georganiseerde salons, want in dat geval had bijvoorbeeld een figuur als Eugene Verdyen niet ontbroken. Emile Claus is op deze afdeling weliswaar prachtig vertegenwoordigd, evenals wederom Georges Lemmen, maar wat moeten wij met de verschrikkelijke blokjesindiaan van Jan de Clerck of met de pittoreske lijstenwinkelskunst van bijvoorbeeld Andre Hallet, Paul Leduc, Paul Mathieu, Hubert van den Bossche? De drie grote Belgische expressionisten, Gustave de Smet, Constant Permeke en Frits van den Berghe zijn elk met een klein, middelmatig impressionistisch doekje vertegenwoordigd, waarmee overigens wel de complexiteit van de periode met al zijn verschillende stijlen wordt geillustreerd. Maar waarom is er bijvoorbeeld niet een grotere selectie van het werk van de gevoelige Hippolyte Daeye, een schilder, die precies binnen het gegeven kader past en van wie nu slechts een klein Gezicht op de Theems bij mist hangt?

In de apotheose van de tentoonstelling, getiteld 'de dionysische vreugden van het Brabants fauvisme', trekt het gelukkig weer wat bij. Al komen persoonlijkheden als Auguste Oleffe, Louis Thevenet en Ferdinand Schirren bijna in het gedrang in de wirwar van grote, nadrukkelijke, felgekleurde schilderijen van bijvoorbeeld Georges Creten, Roger Parent, Henri le Roux, Philibert Cockx, Medard Maertens, Charles Counhaye. De tentoonstelling hinkt kortom op twee gedachten. In de eerste helft is vooral gezocht naar topstukken, in de tweede helft is zo breed mogelijk gekozen. Dat levert een tentoonstelling op die zo groot is dat alleen de goede helft al een reisje naar Brussel waard is. Maar het bevalt mij toch niet helemaal dat er eigenlijk methodes in worden toegepast die in de handel heel gebruikelijk zijn, namelijk dat sterke (en vooral: beroemde) figuren, zoals hier Rik Wouters, aan wie een heel kabinet is gewijd, vele mindere goden mee omhoog moeten trekken. Van dit museum had ik wat meer afstand verwacht.