Onkruid in het diepst van hun hart

Een vriendin die, net als ik, niet lang geleden voor het eerst een tuin heeft verworven wist heel zeker wat het belangrijkste onderdeel ervan zou worden; het eerste wat zij deed was het beste plekje reserveren voor een verzameling van buitengewoon onbeduidend uitziende planten. Anders gezegd, een kruidentuin. Waar dat toe leidt is kort en krachtig beschreven door Christopher Lloyd: ' Kruiden in de tuin kunnen mooi of nuttig zijn, of allebei, of geen van beide. Als gevolg van die laatste mogelijkheid zijn kruidentuinen, waarin kruiden in grote aantallen bij elkaar zijn gebracht, in het algemeen een vergissing.'

Zo'n opmerking komt misschien hard aan, vooral voor mensen die zelf (nog) geen tuin hebben. Is de 'kruidhof' niet het traditionele fundament van de tuin? Denk aan al die BBC tuinprogramma's, waarin getoond wordt hoe er een aan te leggen. Het roept bovendien associaties op met goedheid, in de morele betekenis: dit deel van de tuin is niet zomaar frivole decoratie, nee, hier wordt gewerkt voor de kost. Er kunnen nog verdere traditionele elementen aan worden toegevoegd door een formele aanleg, afgezet met buxus of santolina, bijvoorbeeld in de vorm van een knoop, een zg. knot garden of parterre de broderie, gelukkig meer in de mode op het ogenblik dan het systeem aanbevolen door Vita Sackville-West, om een wagenwiel in de grond te verzinken en de ruimtes tussen de spaken te gebruiken als miniatuurbedjes.

De nadelen van de kruidentuin zijn eerlijk gezegd enorm. Afgezien van de vaak miserabele aanblik en het feit dat ze merendeels volkomen nutteloos zijn (Margery Fish: ' Kruiden verzamelen is leuk, maar in werkelijkheid kun je degene waar constant gebruik van wordt gemaakt tellen op de vingers van een hand'), zijn ze allemaal, zoals Christopher Lloyd het noemt, ' in het diepst van hun hart onkruid'. ' Zodra je ze even de rug toedraait', gaat hij verder, ' is de hele zwik rijp en hebben zich miljoenen zaden verspreid' ; die ontkiemen dan in de leuke paadjes van camomille die je gebruikt hebt om de bedden te scheiden. En als kruiden zich niet uitzaaien door de hele tuin opereren ze op een nog onderhandsere manier: dragon en munt bijvoorbeeld zullen, korte metten makend met iedere poging ze gekooid te houden, ' ronddwalen onder de grond', zoals Margery Fish het noemt en ' doodgemoedereerd opduiken in het territorium van een ander'.

Al deze experts bevelen dezelfde oplossing aan: de kruipers zonder enige vorm van decorum, desnoods in potten, ergens bij de achterdeur consigneren; van de meer aantrekkelijke planten, zoals tijm, venkel, salie en rosemarijn kunnen goede tuinvormen in de bloembedden. Zelfs peterselie ziet er, hoewel wat verrassend in het begin, in een border niet slecht uit; wijnruit, marjolein en bieslook zijn als het er op aankomt ook nog wel sortable.

Na zich aldus bevrijd te hebben van de kruidentuin, maar nog niet van de wens iets kruidigs te kweken, is men rijp voor iets veel interessanters, vrij van associaties met modieuze kloostertuinen: specerijen. Basilicum is mooi, maar het kan niet wedijveren met gember, komijn, koriander of mosterd. De meeste specerijen hebben een klimaat nodig dat grenst aan het tropische, maar de laatste drie kunnen in de tuin worden geteeld. Munster met eigen komijn, ratatouille met zelfverbouwde koriander, lapin a la moutarde uit eigen tuin: wie doet je wat?

Het vervelende is dat je, zoals altijd wanneer het met tuinieren te maken heeft, gulzig wordt: gember, spaanse peper, kemangi, koentji, laos, saffraan - en waarom niet kruidnagelen, nootmuskaat en peper bovendien? Waarachtig, volgens een recent boek hierover: De plant achter de specerij, door Wim van Beek (Van Wijnen, Franeker), kunnen verschillende van deze specerijen op een zonnige vensterbank worden geteeld, vooral als men in staat is ze ook de hoge vochtigheidsgraad te geven die zij verlangen.

Het interessante van Van Beeks boek is dat het voor het vinden en kweken van deze planten reeele instructies bevat. Het moet uitvoerbaar zijn een hoogst exotische vensterbank te creeren, doorbuigend onder het gewicht van de ontluikende laosbladeren, rijpende pepers, en het vertrek parfumerende sereh. Helaas zouden er nogal drastische ingrepen nodig zijn om kruidnagel, nootmuskaat of peper op de vensterbank te laten groeien; voor deze gewassen is het beter te investeren in een stukje grond op een van de specerij-eilanden.

Het boek bevat ook veel merkwaardigs over de planten zelf, en natuurlijk zijn de minst gemakkelijk te kweken soorten het interessantst: saffraan bijvoorbeeld, waarvoor 150.000 bloemen nodig zijn om er een kilo van bij elkaar te krijgen - vandaar dat het zo duur is; het is stuifmeel van de Crocus sativus, waar blijkbaar moeilijk aan is te komen, want Van Beek suggereert voor Nederland de gewone gele crocus. Afgezien van de opgave die te kweken met 150.000 tegelijk, kun je ook maar beter je opwinding wat bedwingen, want hij maakt dan het wonderlijke voorbehoud dat de aldus verkregen substantie niet geschikt is voor consumptie. Dat is iets als zeggen dat je heel goed taart kunt bakken met cement inplaats van bloem; dat lukt prima, uitstekende taart - behalve dat je het niet kunt eten.