Natie 11

Vandaag vindt te Amsterdam, op het terrein van het voormalige Wilhelmina Gasthuis, een curieuze bijeenkomst plaats. De vraag is er aan de orde welke politieke partij zich de rechtmatige erfgenaam mag noemen van de Vrijzinnig-Democratische Bond. Een interessante kwestie voor een lege zaterdag in november. Die bond bestaat al 44 jaar niet meer, maar blijkbaar is er nog steeds animo om zich op haar erfgoed te beroepen. Ik denk dat de onmiskenbare charme die van dit voormalige partijtje (de aanhang beliep vijf tot zeven procent) uitgaat, vooral aan de naam toegeschreven moet worden. Vrijzinnig-democratisch: wie zou dat niet willen zijn? Het is net als met 'anarcholiberaal': het etiket verplicht tot niets, terwijl er toch een zekere ruimheid van uitgaat.

Het PvdA-Kamerlid mr Erik Jurgens, heden een der sprekers, wijst mij er op dat 'vrijzinnig' een van oorsprong godsdienstig begrip is. Vertel mij wat! De vrijzinnigheid is mij met de paplepel ingegoten. Wij vrijzinnigen waren ruim van opvatting, verdraagzaam en gematigd, en we waren tegen dogma's, orthodoxen en vooral 'fijnen'. Het was de rechtstreekse voortzetting van de strijd tussen arminianen en gomaristen, tussen rekkelijken en preciezen. Jurgens wijst er ook op dat het een typisch protestants begrip is. Hem is met de paplepel het katholicisme ingegoten. Anders dan vrijzinnig-protestanten bestaan er geen vrijzinnig-katholieken. Er zijn wel katholieken met vrijzinnige opvattingen, maar die vinden daarin geen reden zich op basis daarvan te organiseren. Katholieken, vrijzinnig of orthodox, bleven allemaal samen in de moederkerk totdat die na het Tweede Vaticaans Concilie even in haar geheel vrijzinnig leek te worden. Maar wat nu de politieke inhoud van het begrip 'vrijzinnig' is - met andere woorden: wie waren de rechtzinnigen tegen wie men zich organiseerde, daar was Jurgens nog niet uit, want hij had zijn speech nog niet af.

De Vrijzinnig-Democratische Bond ontstond in 1901 uit een scheuring in het liberale kamp vanwege het kiesrecht en voor het D66-Kamerlid Jacob Kohnstamm is dat meteen aanleiding om een parallel met zijn eigen partij te zien: ' Eveneens die grote nadruk op staatkundige hervormingen: behalve het algemeen kiesrecht bijvoorbeeld ook het referendum. En in 1919 het initiatief van VDB-leider Marchant voor het vrouwenkiesrecht.' Maar ook in het sociaal-economisch beleid, dat zowel het dirigisme van de socialisten als de 'nachtwakerstaat' van de liberalen afwees en 'de tempering van de klassenstrijd' nastreefde, ziet hij de gelijkenis. Evenals in het opkomen voor de emancipatie van groepen die vallen buiten de verzuilde belangenbehartiging - toen de vrouwen en de pachtboeren, nu de alleenstaanden en de pensioenbreukelingen.

Kohnstamm heeft als persoonlijk erfgenaam wel enig recht van spreken; zijn grootvader Philip was voorzitter van de Bond. Hij ziet behalve een trits oppervlakkige - 'ongeveer even groot: zes procent, zelfde plaats in het politieke spectrum: iets links van het midden, en allebei met een afschuwelijk losse organisatie' - de voornaamste overeenkomst in het 'systeemloze model', dat Marchant tot politiek richtsnoer diende en waarbij 'de democratische staatsman de ontwikkeling van het geestelijk volksleven waarneemt en bestudeert en de rechtsvorming, wetgeving en bestuur daarnaar richt'. ' Van dit ideologisch concept zonder ideologie', zegt Kohnstamm, ' loopt de lijn naar ons pragmatisme waarin wij rechtlijniger zijn geweest dan menige ideologische partij in haar ideologie: de ondogmatische houding, het open oog voor de werkelijkheid. Het vrijzinnig-democratisch element is dus het sterkst in D66.' En hij voegt er aan toe: ' Voor ons is deze discussie ook het meest relevant. Er wordt van ons altijd gezegd, dat we niet in de historie geworteld zijn. Nou, de wortels zijn er: bij de vrijzinnig-democraten!'

Maar de liberaal Henk Vonhoff, die 'het stellen van de claim op het erfrecht veertig jaar na het overlijden' sowieso al 'een hachelijke onderneming' vindt, acht dit voor D66 zelfs 'onmogelijk'. Deze partij is immers opgericht omdat de oude ideologieen geen antwoord meer geven op nieuwe vraagstukken en is dus bij uitstek geen 'beginselpartij' zoals de VDB dat was. Dit nu acht Erik Jurgens 'gelul van een dronken aardbei': ' Dat verwijt slaat nergens op. D66 heeft wel degelijk beginselen, al zwoer de partij bij haar oprichting, zich afzettend tegen het establishment, beginselen in de politiek af. Dat D66 geen beginselprogramma heeft zegt mij niets, beginselen blijken uit politiek handelen.' Maar Vonhoff countert: ' De heer Van Mierlo wil nu weer dat D66 het alternatief wordt voor het CDA. Ik zal hem niet weerhouden, maar dat is in ieder geval onverenigbaar met de gedachte dat deze partij de erfgenaam is van de vrijzinnig-democraten.'

In 1946 vond de Vrijzinnig-Democratische Bond haar levenseinde doordat ze opging in de Partij van de Arbeid en Vonhoff erkent, dat daardoor 'formeel' de PvdA 'in haar buurt' komt. Maar al in '48 had een flinke groep ex-VDB'ers onder aanvoering van Oud zich weer van de PvdA afgescheiden om onderdak te vinden in de VVD. ' Die tweedeling is verklaarbaar, ' meent Vonhoff, ' want de Bond was al ontstaan uit twee groepen: de vooruitstrevende liberalen en de zogenaamde radicalen, radicaal-socialisten zoals men hen in Frankrijk of katheder-socialisten zoals men hen hier wel noemde. Die laatsten voelden zich het meest thuis bij de PvdA.' Maar 'naar haar aard' en naar de vier hoofdkenmerken van het liberalisme volgens Gray is de Vrijzinnig-Democratische Bond toch het meest verwant aan de VVD. Sonoor somt hij deze op: ' Individualisme, egalitarisme (alle mensen gelijkwaardig), universalisme (voor een internationale rechtsorde) en meliorisme, dat wil zeggen optimisme over de mogelijkheden van sociale en politieke vooruitgang. De VDB was onmiskenbaar liberaal.'

Maar Jurgens vindt het wel logisch, dat de vrijzinnig-democraten uiteindelijk in de PvdA belandden. De liberalen zetten de traditie van de Franse revolutie op het stuk van economische vrijheid voort, de vooruitstrevende liberalen beheren het andere deel van dat erfgoed - verdraagzaamheid, rechtsstaat, de nadruk op de ratio. ' Er zijn nu eenmaal weinig progressieve liberalen in de VVD', meent hij, ' te weinig voor dit erfgenaamschap.' Voormalige VDB'ers als Joekes, Posthumus, Vondeling en Roethof hebben een 'behoorlijke invloed' gehad in de Partij van de Arbeid en de invloed der vrijzinnig-democraten zou nog groter zijn geweest als ze niet waren opgesplitst. Zodoende 'is hun nuttige gedachtengoed een beetje weggedrukt' en daarom heeft Jurgens het debat van heden geentameerd. Drie heren vechten om een been!

    • John Jansen van Galen