MARXIST ONDANKS ALLES

Politics for a Rational Left. Political Writing 1977-1988 door Eric Hobsbawm vi + 250 blz., Verso 1989, f 41,50 ISBN 0 86091 958 7

Echoes of the Marseillaise. Two Centuries Look Back the French Revolution door E. J. Hobsbawm xvi + 144 blz., Verso 1990, f 37,50 ISBN 0 86091 937 4

Nations and Nationalism since 1780. Programme, MytReality door E. J. Hobsbawm viii + 191 blz., Cambridge University Press 1990, f 58,45 ISBN 0521 33507 8

Wenen 1929. Samen met enkele Oostenrijkse vriendjes luistert een twaalfjarig Engels jongetje naar het radioverslag van een voetbalinterland tussen Engeland en Oostenrijk. Hij is wat zenuwachtig, want zijn vriendjes hebben aangekondigd zich op hem te zullen wreken als Engeland wint. Gelukkig wordt het een gelijkspel, maar het jongetje heeft voor altijd begrepen dat allerlei dubieuze sentimenten ook door een onschuldige voetbalwedstrijd kunnen worden losgemaakt. Sindsdien geniet het verschijnsel nationalisme zijn kritische belangstelling, en nu, meer dan een halve eeuw later, heeft hij er een boek over geschreven. Eric Hobsbawm want over hem gaat het hier is inmiddels de zeventig gepasseerd en een van 's werelds bekendste historici. Zijn Nations and Nationalism since 1780 is dan nog maar een van de drie boeken die de afgelopen anderhalf jaar van zijn hand zijn verschenen.

Hobsbawm werd in 1917 geboren in Alexandrie, als zoon van een Engelse vader (van Joods-Russische afkomst) en een Oostenrijkse moeder. Al snel verhuisde de familie naar Wenen en daarna naar Berlijn. Na Hitlers machtsovername kozen de Hobsbawms Engeland als domicilie. In zijn historische werk is die kosmopolitische achtergrond voortdurend voelbaar. Eric Hobsbawm schrijft even gemakkelijk over banditisme in agrarische samenlevingen, als over arbeiderscultuur (inclusief voetbal) in de moderne industriestaat. Onder pseudoniem geldt hij bovendien als een autoriteit op het gebied van jazzmuziek. Zijn bekendste werk is waarschijnlijk de trilogie die hij schreef over de 'lange' negentiende eeuw, de tijd tussen 1789 en 1914: The Age of Revolution, The Age of Capital en The Age of Empire. Hobsbawm noemt zich nadrukkelijk een marxist en is met Christopher Hill en E. P. Thompson een van de coryfeeen van de anglo-marxistische historische school.

VERRAAD

Behalve marxist is Hobsbawm echter ook lid van de minuscule communistische partij van Engeland. In dat opzicht is hij sinds 1956 een buitenbeentje. Terwijl anderen, zoals Hill en Thompson, na de Russische inval in Hongarije de partij verlieten, bleef Hobsbawm lid. Hij heeft ook uitgelegd waarom. Sinds hij als vijftienjarige lid werd van een communistische jongerenorganisatie in Duitsland, is hij altijd op de een of andere wijze betrokken geweest bij de strijd tegen het fascisme. Hij zou het als een vorm van verraad beschouwen de communistische partij nu de rug toe te keren. ' Ik wil, ' verklaarde hij in 1987 in een interview, ' mijn eigen generatie en de generatie voor mij niet verloochenen, die hun leven hebben gewijd aan de emancipatie van de mensheid en daar vaak het leven voor gelaten hebben, soms zelfs door toedoen van hun eigen kant.' Het geloof in de wereldrevolutie mag dan wat verbleekt zijn, de daaruit voortvloeiende loyaliteiten gelden wat Hobsbawm betreft voor het leven.

In elk van zijn drie nieuwste boeken klinkt deze overtuiging door. Politics for a Rational Left is een bundeling van stukken, hoofdzakelijk verschenen in Marxism Today tussen 1977 en 1988. Het is in feite een lopend commentaar op de Thatcher-decade. Met vele anderen is Hobsbawm van oordeel dat het Thatcherisme een radicale breuk betekent met de oude politieke verhoudingen in Groot-Brittannie. Niet alleen met het Labour-bewind van Wilson of Callaghan (waarvoor hij trouwens geen goed woord overheeft), maar evenzeer met het Toryisme van Macmillan en Heath. Fascistisch wil Hobsbawm het Thatcher-bewind nog net niet noemen, maar een keer ontglipt hem de typering 'semi-fascistisch'. Thatchers voortdurende succes in de jaren tachtig (althans electoraal) is voor Hobsbawm steeds meer een obsessie geworden. Vooral omdat zij, anders dan bijvoorbeeld Reagan, nimmer een meerderheid van de kiezers achter zich heeft gekregen.

Er is volgens hem voor links dan ook maar een opgave: de vernietiging van deze demon. Zijn oproep tot een soort heilige oorlog tegen Thatcher is sterk gekleurd door zijn persoonlijke ervaring. Fascisme, en alles wat daarnaar zweemt, moet volgens Hobsbawm worden gekeerd door een 'Volksfront', een bundeling van alle krachten van links.

Ook Hobsbawms Echoes of the Marseillaise. Two Centuries Look Back on the French Revolution heeft iets van een kruistocht. Het betreft een reeks lezingen, gehouden in het kader van de Bicentenaire van de Franse revolutie en is gewijd aan het beeld van de revolutie in de twee eeuwen daarna. Hij verdedigt de tot voor kort klassieke linkse visie op de revolutie (zoals van Alphonse Aulard en Albert Soboul) tegen het revisionisme dat de herdenking van 1989 heeft beheerst en naar zijn smaak bedorven. Het boek is geboren uit irritatie. Hobsbawm probeert de revisionisten, die hij gemakshalve maar op een hoop gooit, de pas af te snijden door te laten zien dat de zogenaamde marxistische interpretatie waartegen zij zich verzetten de revolutie als doorbraak van de burgerij door Marx is ontleend aan vroeg negentiende-eeuwse Restauratie-liberalen als Augustin Thiers en Francois Mignet. En juist die worden nu weer zeer gewaardeerd door een toonaangevende revisionist als Francois Furet.

Verder ziet Hobsbawm de nieuwe interpretatie van de Revolutie vooral als een zonderlinge loot aan het intellectuele debat op de linker Seine-oever: gaat het niet gewoon om de van zijn communistische geloof afgevallen Furet die afrekent met oude kameraden? Tegenover deze ontrouw memoreert Hobsbawm hoe hij zelf in de jaren dertig in Parijs meeliep in demonstraties van het Volksfront onder het zingen van de Carmagnole, het strijdlied uit de Franse revolutie. Het ooit zo 'vaterlandslose' links had toentertijd de natie herontdekt als een schild tegen het fascisme. Bij het Franse Volksfront leidde dat zelfs tot een verheerlijking van de revolutie van 1789. Het huidige revisionisme beschouwt Hobsbawm kennelijk als een bezoedeling van die kostbare herinnering.

ROUSSEAU

Diezelfde binding van links met de natie wordt ook behandeld in Hobsbawms recentste boek Nations and Nationalism since 1780. Van de drie genoemde boeken is het veruit het meest ambitieuze. In scherp contrast met de nogal gemakkelijk generalisaties van Echoes of the Marseillaise klinkt hier voortdurend de waarschuwing dat over een thema als nationalisme nauwelijks verantwoord te generaliseren valt. Stellige uitspraken van andere auteurs worden relativeerd met stapels tegenvoorbeelden. Daarbij lijkt Hobsbawm er allereerst op uit, te laten zien wat het nationalisme niet is. Hij veegt de vloer aan met het Doornroosje-model van naties als schone slaapsters, die slechts liggen te wachten tot ze worden wakker gekust. Gemeenschappelijke taal, etniciteit en religie als voedingsbodem van ontspruitend nationalisme roepen volgen Hobsbawm meer vragen op dan ze beantwoorden. In een zorgvuldig in de tijd gefaseerde dus echt historische beschouwing, accepteert hij eigenlijk maar een vorm van proto-nationalisme: die waarin het behoren tot een natie berust op de gemeenschappelijke wil van de betrokkenen. In feite is dit de visie van Jean Jacques Rousseau, die in de negentiende eeuw is bewerkt door Ernest Renan in zijn beroemde Qu'est-ce qu'une nation?. Hobsbawm tekent daarbij aan dat dit besef beperkt bleef tot een kleine elite, die sinds de revoluties aan het einde van de achttiende eeuw (waaronder hij ook die van de Nederlandse patriotten noemt) burgerzin heel uitdrukkelijk aan nationalisme paarde.

Een cruciale fase in de ontwikkeling van het moderne nationalisme is volgens Hobsbawm die waarin dit elitaire besef zich via het onderwijs uitbreidde over de massa: de periode 1880-1914. Pas in dit stadium werden taal en etniciteit van beslissend belang. Hoe sedertdien de grote massa 'de natie' beleeft, is een vraag die Hobsbawm sterk bezighoudt, maar waarop hij nauwelijks een sluitend antwoord kan geven.

Hobsbawm laat niet na de historische lijnen door te trekken naar het heden. Hij komt dan tot enkele opmerkelijke conclusies. Enerzijds stelt hij terecht vast dat er (ook in wetenschappelijk opzicht) nog nooit zoveel belangstelling is geweest voor het nationalisme als juist de laatste twintig jaar. Maar vervolgens constateert hij dat het nationalisme als politieke kracht toch merkbaar op zijn retour is. Het feit alleen dat historici eindelijk een beetje greep beginnen te krijgen op het verschijnsel, is daar voor hem het bewijs van. Hier blijkt maar weer eens hoe riskant het is wanneer historici zich met de toekomst gaan bezighouden. Veel van wat Hobsbawm concludeert, wordt namelijk gelogenstraft door de recente ontwikkelingen in Midden- en Oost-Europa. Natuurlijk is het hem niet kwalijk te nemen dat hij de gebeurtenissen van het afgelopen jaar niet heeft voorzien. Maar het is toch opvallend dat hij, wanneer het om de recente tijd gaat, wel bladzijden lang uitweidt over de problemen van Frans-Canada, maar Centraal-Europa goeddeels onbesproken laat. Sterker nog: hij betoogt dat de communistische regimes er toch maar in zijn geslaagd allerlei nationalistische uitwassen onder de duim te houden. Laat er desalniettemin geen twijfel over bestaan: dit boek is, inclusief het onbedoeld controversiele slot, Hobsbawm op zijn best, een wonder van erudiete geschiedschrijving en een belangrijke bijdrage aan het nationalisme-debat.