Historicus wijst op 'marktgevoeligheid' van havenarbeiders; 'Loongolf begon nooit in haven'

ROTTERDAM, 24 nov. De 5,6 tot 7,1 procent loonsverhoging die de vakbonden in de havens eisen heeft schrikreacties teweeg gebracht. Absurd, oordeelden de havenwerkgevers. Volstrekt onverantwoord, meende de vakcentrale CNV. Politiek en psychologisch buitengewoon onverstandig, kritiseerde de vakcentrale FNV. Politiek, omdat zo'n hoge looneis tegenstanders van de koppeling in de kaart zou spelen. Psychologisch, omdat hij een loongolf zou opwekken die desastreus uitwerkt op de werkgelegenheid en het kabinet zou nopen tot een looningreep.

'Een loongolf is nog nooit in de haven begonnen', zegt dr. E. Nijhof, universitair docent sociale en economische geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Twee jaar geleden promoveerde hij op een onderzoek naar de ontwikkeling van de naoorlogse arbeidsverhoudingen in de Rotterdamse haven. 'Gezien de dreigende onrust in de haven ... ', luidde de titel van het proefschrift, die hij ontleende aan het argument dat de werkgevers ten tijde van de geleide loonpolitiek steevast gebruikten om in Den Haag extraatjes voor havenarbeiders te bedingen.

De haven is weliswaar een spraakmakende sector maar volgens Nijhof nooit trendsetter in het arbeidsvoorwaardenbeleid geweest. Wel bestaat er een goed ontwikkelde strijdtraditie met talrijke, soms spectaculair omvangrijke stakingen. Nijhof brengt dit in verband met het werk. 'In de haven is nooit een stabiele situatie. De werkgelegenheid schommelt voortdurend op en neer, al naar gelang de aan- en afvoer van goederen. Op basis van die fluctuaties wordt bijna voortdurend onderhandeld over beloning, arbeidsplaatsen, tempo, werktijden en toeslagen voor vuil werk, reistijden of slecht weer. Daardoor ontwikkelen havenarbeiders een grote marktgevoeligheid. Hun mentaliteit is daar een afspiegeling van. Ze zijn sterk geneigd hun eisen kracht bij te zetten met acties als ze in een gunstige positie menen te verkeren.'

Nederland neemt daarbij geen bijzondere positie in. Havenwerkers behoren vrijwel overal ter wereld tot de strijdbaarste arbeiders. Dat heeft mogelijk hun sociale prestige niet verhoogd, maar waarschijnlijk wel het ontzag dat zij inboezemen, meent Nijhof. Dit is volgens hem nog versterkt door de strategische betekenis voor de Nederlandse economie van Rotterdam als 'poort van Europa'. 'Daarnaast hebben de werkgevers in de haven er weinig aan gedaan de strijdbaarheid van hun werknemers in te tomen door een consistenter sociaal beleid te voeren. In tijden van goede rendementen hadden ze op het terrein van werkgelegenheid en vervroegde uittreding best wat meer kunnen doen. Maar hun weerstand daartegen is aanzienlijk, ook nu de hoeveelheid overuren extreme proporties aanneemt. Daarmee vertonen ze infeite hetzelfde korte termijngedrag dat nu de havenarbeiders verweten wordt.'

Mede door deze opstelling van de werkgevers is onder de havenarbeiders volgens Nijhof sterk de mentaliteit gaan heersen van: We moeten het ijzer smeden als het heet is. 'Gaat het na een periode van inleveren en matigen een tijdje goed in de haven, dan kun je er bijna zeker van zijn dat er een staking dreigt.'

Zo is het ook nu, zegt Nijhof. De opmars van container en computer zorgen voor een forse stijging van de arbeidsproduktiviteit, nadat de lonen enkele jaren zijn gematigd. Deze combinatie leidt nu tot looneisen die niet passen in het gecoordineerde arbeidsvoorwaardenbeleid zoals de vakcentrales voor ogen staat. Maar ook dat is volgens hem eerder regel dan uitzondering. In het verleden was er immers ook dikwijls heibel tussen actiecomite's van havenarbeiders en de officiele vakbonden.

De arbeidsonrust van de vleeswarenindustrie, via sleepbootbemanningen overgeslagen op de stukgoedsector in de Rotterdamse haven in 1979 is daarvan een duidelijk voorbeeld. De vervoersbonden van FNV en CNV stonden diametraal tegenover actievoerende havenarbeiders, die het kort daarvoor afgeloten loonakkoord met de havenwerkgevers te mager vonden en opening van de stakingskassen eisten. Ze boekten geen succes, maar de Vervoersbond FNV hield er wel een zware kater het trauma van het Afrikaanderplein en een ernstige bestuurscrisis aan over.

Dat er daarna geen grote 'wilde stakingen' meer in de haven zijn geweest de acties in 1982, 1984 en 1987 werden door 'erkende' bonden gesteund duidt volgens Nijhof niet op het einde van een 'syndicalistische onderstroom' onder havenarbeiders. 'Ach, dat is zo'n etiket. In feite is er niet veel veranderd. Havenarbeiders trekken zich traditioneel niet zoveel aan van de maatschappelijke context. Die koppeling tussen lonen en uitkeringen, dat is voor hen iets landelijks. Het enige dat is veranderd is dat veel activisten uit 1979 nu binnen de vervoersbonden zijn gehaald om het contact met de werkvloer te verbeteren. Maar daardoor zijn ook de tegenstellingen binnengehaald, die in 1979 nog buiten de bonden lagen.'

De actuele looneis van de vervoersbonden is daarvan volgens Nijhof een illustratie. Voorzitter R. Vreeman van de Vervoersbond FNV moest er begin deze week voor op het matje komen bij FNV-voorzitter J. Stekelenburg. Eventjes zal hij zich een havenwerkgever uit de jaren van de geleide loonpolitiek hebben gevoeld. Want is niet het resultaat dat voor de havenarbeiders een uitzonderingspositie wordt gedoogd, gezien, inderdaad, de dreigende onrust in de haven ...

    • Joop Meijnen