Frank Zichem over het verdriet van Suriname; 'Het hart van de mensen is koud geworden'

Dinsdag start bij de NOS de documentaire Sibibusi, volgens filmmaker Frank Zichem 'een pleidooi voor de kinderen van Suriname'. Zichem was sinds de onafhankelijkheid niet meer teruggeweest in zijn geboorteland dat via Bouterse en Brunswijk nieuws werd: 'Die storm woedde over de hoofden van de mensen heen maar in de luwte, onder het bladerdak, leeft wat werkelijk van belang is: moeders die hun kinderen niet te eten kunnen geven, vuilnismannetjes van tien en twaalf jaar, handelaren die het land leeg roven.'

Lachend komt hij de montagekamer binnen, de lunch voor hem zelf en de editor op een blad. ' We dachten, toen we erheen gingen, dat we zeikerds waren, ' zegt hij, ' Surinamers van een soort dat in Suriname zelf niet meer bestaat. Dat die mensen daar deel uitmaakten van een situatie waaraan wij niet hebben deelgenomen. Dat ze het geweld geadopteerd en verwerkt hadden, zeker de jongsten die in dat geweld geboren zijn. Dat ze misschien eindelijk geleerd hadden om Zuidamerikaan te zijn en op eigen poten te staan. Niets is minder waar. Wat er werkelijk is gebeurd is dat de mensen steen zijn geworden van binnen. Dat iedereen bezig is zijn slag te slaan. Dat moeders hun kinderen dumpen op stoepen. Nou ja, kijk zelf maar.' De editor start de projector.

De film begint met een stortbui, zo'n bui die aan het eind van een loomhete middag de straten van Paramaribo schoonspoelt, de lucht van rotting en bederf verjaagt, en opeens ruik je weer de geur van magnolia. Dan de titel: Sibibusi. ' Letterlijk: bosbezem, ' vertaalt Frank Zichem, ' zo'n slagregen die het bos reinigt.' We zien het tweede deel van zijn driedelige documentaire, de anderen delen zijn een week voordat de serie uitzendingen start nog niet klaar.

De kijker volgt de onderwijzeres Letitia Pinas op haar dagelijkse tocht over het veer en dan nog 46 kilometer met de bus naar school, ergens in het district Commewijne, in wat voor kort 'oorlogsgebied' was. Het is de dag waarop de rapporten worden uitgereikt. De juf spreekt de kinderen toe op een strenge juffentoon, die in Nederland allang in onbruik is geraakt. Erroll is blijven zitten. Een schuchter jochie met een groot T-shirt waarop staat: Don't worry.

De onderwijzeres gaat met Erroll mee naar huis en leest zijn moeder de les: ' Je moest hem hier die begeleiding geven.' Maar Errolls vader zit in de gevangenis en zijn moeder heeft geen geld. De kinderen moeten zonder te eten naar school. ' Soms ga ik naar de stad voeding zoeken, soms ga ik mijn zuster lastig vallen.' Vaak is ze niet op tijd terug, omdat ze de bus niet kan betalen. ' Als je arm bent hier in Suriname, blijf je arm.' Streng zegt ze tegen haar zoontje en zijn zusjes: ' Wat mama nu is, moeten jullie niet worden.'

' We waren zo perplex, ' zegt Frank Zichem, ' we stonden met tranen in de ogen. We hadden zo'n gevoel van onmacht, dat we in een soort naiveteit... Weet je, net als wanneer er hier zo'n actie is op televisie: je rent naar het postkantoor om het gevoel te hebben dat je tenminste iets gedaan hebt. Je wast je meaculpa-gevoel weg. Je mag je als filmer niet laten meeslepen, maar soms overkomt het me. Jaren geleden was ik in Cabo Verde, er had daar een omwenteling plaatsgevonden, jongens van twintig liepen als commissaris van politie met karabijnen rond, we draaiden in een woestijn van honger en armoede, afschuwelijke toestanden. We reden weg en op de hoek van een straat kijk ik uit het raampje en zie een hond liggen, overdekt met zweren en vliegen. En prompt zaten we alle vier in de auto te janken. Je wapent je als filmer tegen dat soort situaties, want je moet je verhaal vertellen. Maar net op een moment dat je er niet op verdacht bent, pakken ze je toch. Dat had ik daar in Commewijne ook. We hebben dat gezin geadopteerd, we betalen huur en schoolgeld, we hebben schriften en potloden en oude kleren gestuurd. Vroeger waren er in Suriname altijd zorgende oma's en tantes. Maar de hele structuur van vrouwen die achterbleven op de erven om voor de kinderen te zorgen is weggevallen. Omdat iedereen zelf te druk bezig is om te overleven.'

Letitia gaat, met bus en veer, terug naar de stad. Als onderwijzeres verdient ze 1350 gulden per maand waarvan ze 700 overhoudt, maar een fles parfum kost 400. Ze woont 'gezien de vader van mijn zoon in het buitenland zit' bij haar ouders. ' Waarom hij plotseling vertrokken is... Frustratie, denk ik.' Er wordt een grote pan bami gekookt. ' Vroeger kwamen er vaak vrienden een bordje mee eten, maar de mensen doen nu alles in hun eigen huis. Het leven is harder geworden.'

In het warme licht van de ondergaande zon zit ze met haar vader aan het visgat. Zal zij met haar zoontje ook maar naar 'het buitenland' - Surinaams voor Nederland - gaan? De vader steekt een verhaal af over de 400.000 inwoners, de 30 procent werkloosheid en dat niemand gemist kan worden voor de opbouw van het land.

' Hij walst over haar heen, ' vindt Frank Zichem. ' Hij is een oude vakbondsleider en komt met zijn oude, versleten theorieen aan. Zij blijft zitten met haar dilemma: als ik naar Nederland ga kies ik voor mijn kind, als ik blijf kies ik voor de kinderen van Suriname.'

Misdienaartje

Hij vertelt dat hij geboren werd op Beekhuizen. Ik zie het voor me: een voormalige plantage, net buiten Paramaribo, begrensd door het kanaal en de rivier en de highway naar de bauxietwinning. Schamele huisjes op armetierige erven, maar de franchipane en de faja lobi staan in bloei en het geurt er naar sapotille en magnolia. Frank werd misdienaartje, maar 'groeide op voor galg en rad'. Zijn moeder was alleen, net als Letitia, en straatarm, net als de moeder van Erroll. Toen Frank negen was heeft zij hem 'meegegeven' aan een Hollandse priester die repatrieerde. Hij werd opgevoed door diens ouders in Blaricum. Dat was in '54, het jaar waarin het Statuut van kracht werd en Suriname 'gelijkwaardig rijksdeel' werd van het Koninkrijk der Nederlanden.

Op zijn twaalfde ging hij naar het seminarie en hield het er vier jaar uit, maar 'het celibaat gooide roet in het eten'. Vervuld van heimwee keerde hij als zestienjarige terug naar Suriname, kreeg er tuberculose en moest weer naar Nederland. Daar meldde hij zich bij Marten Toonder 'met het leugentje dat ik een goede animatietekenaar was' en viel binnen een week door de mand. In Toonders studio leerde hij het tekenfilmvak, deed camera-assistentie en werd aangemoedigd om toelatingsexamen te doen voor de Filmacademie. In het begin van de jaren zeventig maakte hij zijn eerste film: Gebri Doro, die werd uitgezonden door de KRO.

' Het is mijn liefste film, ' zegt Frank Zichem, ' maar wel heel naief. Gebri is de winti-god die, als hij ergens binnenkomt waar hij iets fouts bespeurt, de boel kort en klein slaat. Die film predikte puur de revolutie, letterlijk: schiet ze overhoop, laten we ze de zee injagen. Je was een angry young man en mensen als de dichter Dobru zeiden: 'Je wordt steeds minder gezicht en steeds meer vuist'. Ik liet alle spelers, Creolen, Hindoestanen, Javanen, optreden in tropenpakken, om het kolonialisme uit te drukken. En de negergod zelf liet ik spelen door een bijna-Hindoestaan. Dat is mij door de Creolen niet in dank afgenomen. Kort daarop maakte ik Papieren Nederlandertjes, over Creoolse meisjes en dat is me door Hindoestanen niet in dank afgenomen: of er soms alleen Creolen in Suriname woonden!'

Drie jaar later leverde hij, met als tekstschrijver en commentator Rudi Kross (die nu weer met hem aan Sibibusi werkte) twee films af die samen kunnen gelden als filmische afsluiting van het koloniale tijdperk: Koloniaal Treurspel en Een land om mee te leven. Het was vlak voor de onafhankelijkheid, waarvan Suriname morgen de vijftiende verjaardag viert. ' Houd moed, wees niet bang, vlucht niet, geloof in onafhankelijkheid, ' spoort de eerste film aan en in de tweede zingt een groepje: ' In ons eigen land moeten we onze eigen weg gaan / Nu de economie in handen is van een groepje vreemdelingen. / Want het buitenland verrijkt zich nog ten koste van ons land.' Dan zie je een auto van Fyffesbananen door het beeld rijden, en het groepje zingt: ' In naam van onze vrijheidsstrijders zullen wij zelfstandig zijn / Vrees niet, Anton de Kom / Wij weten nu hoe de economie aan te pakken.' En aan het slot hoor je de stem van Kross: ' Een land om mee te leven. Op weg naar zichzelf heeft deze samenleving wellicht iets gevonden waarmee ze zich hoopvol naar een nieuwe dag kan begeven. Een droom misschien of weinig meer dan de verwachting dat het morgen allemaal anders zal zijn, beter dan wat geweest is.' Als je die films nu terugziet, heb je het gevoel dat je zit te kijken naar iets wat erg lang geleden bedacht moet zijn, in een tijd vol verwachting van een mooie toekomst.

' Toch zat daar ook al in: fri ne kesi, fri e teki, ' verweert Frank Zichem zich, ' vrijheid krijg je niet, vrijheid neem je. Die films gaven ook de angsten weer voor wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren. Herinner je je het gesprek tussen die hoer en haar moeder? Dat heeft iets behoudends: we weten wat we hebben maar niet wat we krijgen. Die onafhankelijkheid werd ons opgedrongen, dat wisten we maar we vroegen ons niet af waarom dat gebeurde en waarom sommige mensen zich de onafhankelijkheid lieten opdringen. Nou, dat weten we nu: omdat ze er belang bij hadden. Het zijn namelijk dezelfde figuren die nu weer aan de macht zijn in Suriname.'

Collectieve schuld

De gids door de drie delen van Sibibusi is de 59-jarige Che - doopnaam: Lucien - Leeflang, een bijna gepensioneerde werkman van de dienst Openbare Werken. Hij spreekt Sranangtongo en de ondertiteling is nog niet klaar, maar er zitten in dat idioom voldoende Nederlandse woorden om globaal te kunnen volgen wat hij zegt: bijdrage door ontwikkeling, intellect, investeren, onderwijs, schuld, schuld, schuld.

' Che komt steeds terug op dat statement over de collectieve schuld van de oudere generatie, ' verklaart Frank Zichem. ' Dat is misschien ook een erkenning in mijzelf. Vroeger legden we nooit de schuld bij ons zelf, maar bij het buitenland of bij de slavernij. Toen ik Gebri Doro maakte, kon ik niet voorzien dat er tien jaar later echt revolutie zou komen. De militairen grepen in om de corruptie te corrigeren, zoals Che zegt, en de heren waren stomverbaasd toen bleek dat ze de regering omver hadden geworpen, een revolutie hadden veroorzaakt. Die hebben wij allemaal gekoesterd, we hebben er twee, drie jaar lang in geloofd en we hebben allemaal afgehaakt. De revolutie is volledig mislukt, alle politieke partijen hebben hun kans gehad en niets gedaan behalve redetwisten als kleine jongens. Nadat hij alle fouten had gemaakt die er te maken zijn is Bouterse op zijn knieen teruggekropen en sindsdien kunnen de politici echt hun gang gaan. Misschien is het nu de tijd - als de oudere garde in de assemblee genoeg stoelen naar elkaar heeft gegooid en eindelijk uitgebakkeleid is - om eerlijk naar onze eigen nalatenschap te kijken, naar de opgekropte spanningen en vernederingen.'

Zelf had hij sinds de onafhankelijkheid niet meer in Suriname gefilmd. Wel op de Kaapverdische eilanden, in New York, op de Antillen, in Nederland, meestal voor de IKON. Dit jaar vatte hij het plan op om, voor de NOS, een documentaire te maken over het dagelijks leven in Paramaribo. Het beeld dat hij van het land had was intussen gevormd door de Nederlandse journalistiek en bestond in hoge mate uit Bouterse en Brunswijk, Brunswijk en Bouterse, politieke machinaties en militairen op de straathoeken. In augustus jongstleden arriveerde hij met een filmploeg in zijn geboorteland.

' Ik zweer het je: geen soldaat gezien in Paramaribo!' herinnert Frank Zichem zich. ' Nou zou ik als Surinamer een beetje kunnen liegen, maar mijn Hollandse cameraman belde mij verontwaardigd op toen hij weer zo'n documentaire vol militairen had gezien: wij zijn er net geweest, waar waren die lui dan? Ze zitten weer in hun kazerne of in het bos, ze hebben de kracht niet meer. Als je van Nederland alleen paleis Soestdijk en wat kazernes zou filmen en daar de Kalverstraat doorheen sneed, kreeg je net zo'n getrouw beeld van dit land als ze ons hier van Suriname voorschotelen. Die journalisten willen scoren, dat snap ik, maar het land heeft het zonder hun al moeilijk genoeg.'

Hij had gerekend op problemen bij het filmen in Suriname, maar niet op het soort problemen waarop hij stuitte. In de volkswijk Frimangron waar Che Leeflang woont was de sfeer bepaald 'bedreigend'. Het bleek 'heel moeilijk' om 'heel eenvoudige dingen' te doen, zoals 'alleen maar op straat draaien'. Niet het leger, maar de bevolking trad hem onwelwillend tegemoet en gaf uiting aan 'woede' en 'agressie'.

' Terecht, ' meent Frank Zichem. ' Die mensen zijn al zo belazerd en dan zien ze weer zo'n toeter op straat, met nog een zwarte man ernaast ook, een van hun. Waarom ik zo kwaad ben op die Hollandse journalisten is dat ze niet stilstaan bij wat is aangericht bij de mensen in Suriname. Bouta is allang weer terug naar zijn visgat: jullie wilden toch democratie, zoek het dan ook maar uit. Al die onzin over Bouterse en Brunswijk was een storm die woedde over de hoofden van de mensen heen maar in de luwte, onder het bladerdak, leeft wat werkelijk van belang is: moeders die hun kinderen niet te eten kunnen geven, vuilnismannetjes van tien en twaalf jaar, handelaren die het land leeg roven.'

Hosselen

Deel 3 van zijn documentaire gaat over de kinderen van de rekening. 'Kleine' is een Hindoestaans jochie, dat 's morgens om vijf uur naar de markt gaat, daar koffie drinkt met zijn vriendjes die er ook wat hosselen en dan als kruier aan zijn werk gaat om op een dag twee, drie tientjes te verdienen. ' Ik ben geen man, ' zegt Kleine, ' ik ben een jongen van veertien die hard werkt.' Hij heeft een droom: rijk worden om zijn moeder van wie hij veel houdt uit de ellende te slepen. Dat is waarom hij zo hard werkt. Ook vanwege die droom kan de filmer zich met hem identificeren.

' Het moeilijkste van mijn confrontatie met Suriname was dat ik, als kind van arme ouders 35 geleden weggegaan uit dat ghetto, er in wezen niets veranderd vond, ' zegt Frank Zichem. ' De vogelkooien, het erf met een paar geiten in de modder, het aanblazen van het houtskoolvuur, de armoede, en pal daartegenover huizen van zes, zeven miljoen: allemaal hetzelfde, alleen nog schrijnender. Che noemt de belangrijkste verandering, dat iedereen nu expert is geworden met de schroevedraaier en de tweedehandsmotor, maar dat is een wrang grapje. Wat echt veranderd is is dat het hart van de mensen koud geworden is. De onderlinge warmte is verdampt. En de rekening wordt altijd, overal aan de kinderen gepresenteerd. Dat kleine mannetje Kleine is net zo'n klein mannetje als ik toen, in net zo'n Derde Wereldsituatie, maar je ziet hem hard worden, omdat er te weinig liefde en warmte is tussen de mensen, wat juist het prachtige was van Suriname.'

Che Leeflang zegt het in de film en de filmer zegt het hem graag na: ' Het zal je gebeuren dat je land geregeerd wordt door corrupte handelaren.' In veel landen verleent de politiek diensten aan de handel, maar in Suriname maken de handelaren zelf de politieke dienst uit. De penningmeester van de regeringspartij VHP is een van de rijkste kooplieden van het land. De filmmaker noemt zich nadrukkelijk 'geen politicus', hij 'pretendeert niks meer dan de dingen te zien' en ontleent zijn opvattingen maar aan de 'populaire politiek' van de oudere man die optreedt in zijn film. Che heeft ook gezegd: ' Iedereen is handelaar geworden.'

' Mensen die het geld maken in Suriname willen de zaak uiteraard niet veranderen, ' legt Frank Zichem uit. ' Een stelletje rijke handelslui geeft stapels Surinaams geld aan jongens die bij de markt rondhangen en als ik uit Nederland kom wissel ik daar honderd gulden voor 1: 8,5. Maar die 850 gulden neem ik niet mee het land uit, die geef ik uit in de zaken van dezelfde rijke lui. Dus die verdienen twee keer. De kleine man, zegt Che, kan zich nog steeds die fles parfum niet veroorloven of een paar Nikes van 600 gulden, maar als hij honderd gulden Hollands geld omwissselt kan hij wel die bananen kopen, al kosten ze nu een gulden per vinger. Hij wil de situatie eigenlijk ook niet veranderen, hij hoopt dat iemand die hij kent naar het buitenland gaat en hem geld stuurt. Dat is het dilemma: iedereen heeft er belang bij en niemand wisselt 1: 1, zodat de Centrale Bank geen cent heeft.'

De 'populaire politiek' van mensen als Che wil dat Suriname een politie-agent nodig heeft. Sergeant Bouterse trad een tijdje in die functie op, om de dieven in bedwang te houden. Maar de politie-agent ging weer hengelen en nu kunnen de dieven dus ongestoord hun gang gaan. De filmer maakte mee hoe de mensen op het veer woedend om de politici riepen: ' Laten ze hier komen. We zullen ze gijzelen.' En het zou hem niet verwonderen als ze binnenkort roepen: ' We want Bouta.'

' En het verraderlijke word je gewaar als je dan op de VPRO ziet hoe goed Herrenberg en Haakmat het kunnen vinden, ' constateert Frank Zichem. ' Er is hier zogenaamd verzet, met veel grote woorden over drugssmokkel, maar Herrenberg hoeft nog niet hierheen te komen of de heren gaan massaal omhoog likken. Het hele verzet denkt meteen alweer aan de baantjes. Dat is dan je toekomst! Dan sta je toch voor paal?'

Onverschillig

Sibibusi is 'liever' geworden, 'soberder' ook dan de films die hij vroeger over Suriname gemaakt heeft. Het is 'een pleidooi voor de kinderen', die 'de situatie niet aan kunnen', die 'verstoken zijn van alles wat een kind nodig heeft om kind te zijn'. Het is daarom tevens, hoe braaf dat ook klinkt na die oproepen om de buitenlandse uitbuiters overhoop te schieten of de zee in te jagen, een pleidooi voor 'investeren in de toekomst', voor goed onderwijs.

' Wat men niet door heeft is dat er een wond geslagen is in de ziel van de Surinamer, ' zegt Frank Zichem, ' en dat er generaties overheen gaan eer die wond genezen is. Het geweld was erg, maar het ergste is het geestelijk geweld. Dat heeft de Surinamers kapot gemaakt. De normen zijn gekelderd, de mensen staan onverschillig tegenover elkaar, omdat ze eerst aan zichzelf moeten denken. Ze hebben geen toekomst en ze kunnen aan de kinderen geen toekomst doorgeven. Je zou de kinderen die na '75 geboren zijn toch duidelijk moeten maken dat dit - corruptie, geweld, handel - het leven niet is? Het enige wat we nog kunnen redden zijn die jongeren. Dan hebben we tenminste een ding veilig gesteld.'

Maar of zijn film daaraan bij zal dragen? Hij is 'niet echt optimistisch' over het effect van de vertoning van Sisibusi, de drie komende dinsdagavonden vanaf zes uur gedurende een half uur op Nederland 3. Misschien zullen een paar mensen 'bereikt' worden, een paar zelfs 'geraakt', maar de meeste Surinamers die kijken zullen toch vooral verheugd vertrouwde plekken en oude kennissen herkennen.

' De mensen willen vermaakt worden, ' besluit Frank Zichem. ' Misschien ben ik wel helemaal de verkeerde kant op gegaan en moest ik eens een leuke soap maken. Goede soap is ook niet slecht. Het soort films dat ik maak is als een druppel op een gloeiende plaat. Ik doe het al twintig jaar en soms vraag ik me af wat voor zin het heeft om de mensen hier allemaal kond van te doen. Het zal iedereen worst wezen. Als ik bij de VPRO kijk naar Diogenes denk ik, ja jezus jongens, in de jaren zestig deden we dat ook - even ruiken aan problemen, mooie beelden en een stevig commentaar van meneer Blokker. Maar in wezen helpt het geen reet.

' Het is zo'n dilemma: ik kom nu met drie rolletjes celluloid maar dat verandert het geen mallemoer aan wat ik in Suriname heb meegemaakt.'

    • John Jansen van Galen