EGON KRENZ KAN ALLES UITLEGGEN

Wenn Mauern fallen. Die Friedliche Revolution: Vorgeschichte Ablauf - Auswirkungen door Egon Krenz 248 blz., geill., Paul Neff Verlag 1990, f 47,60 ISBN 3 7014 0301 5

'De beroerdste van alle mogelijke kandidaten, ' zei schrijver-zanger Wolf Biermann, toen hij op 18 oktober 1989 hoorde dat Egon Krenz tot opvolger van Erich Honecker was benoemd. Hij verwoordde hiermee ongetwijfeld de mening van veel DDR-burgers. Krenz stond alom bekend als een man van de harde lijn. Maar toch zou hij het zijn die de 'Wende' inleidde en, al of niet bedoeld, tijdens zijn zevenenveertig dagen durende bewind een eind maakte aan een vierenveertig jaar oude dictatuur.

De vraag die sinds de val van de Muur bleef, is of Krenz niet het slachtoffer is geworden van een door hem nooit gewild, niet meer te controleren veranderingsproces. Want als pril leider had hij nog zonder blozen gewag gemaakt van 'de leidende rol van de partij' en het 'socialisme dat niet ter discussie stond'. Hij kreeg meer gelijk dan hij wenste. Over de SED en het socialisme wilde in de DDR vrijwel niemand meer discussieren. De immense druk om tot een totale breuk met het SED-verleden te komen, liet hem ten slotte geen andere mogelijkheid dan, na anderhalve maand, af te treden.

In januari van dit jaar werd Krenz uit de partij gezet. Zijn vrije tijd benutte hij om het boek Wenn Mauern fallen te schrijven. Het vormt de neerslag van haastig bijeengeveegde herinneringen aan de laatste vijf jaar van de DDR. Dit alles is aaneengeschreven met de ondertoon van een verongelijkt man die zijn politieke rol tracht te rechtvaardigen.

Krenz werd algemeen beschouwd als de kroonprins van Honecker. Diens carriere vormde ook de leidraad voor zijn eigen loopbaan. Hij was eerste secretaris van de Freie Deutsche Jugend (FDJ), en al op jonge leeftijd kandidaat-lid van het politbureau. In 1981 werd hij volledig lid, met als functie 'veiligheidstaken'. Hij moet daardoor een belangrijke stempel hebben kunnen drukken op de ontwikkelingen in de DDR. Maar dat was, als wij Krenz nu mogen geloven, niet het geval. Volgens hem was het Honecker die, in nauw overleg met Erich Mielke, minister voor Binnenlandse Veiligheid, en Gunter Mittag, de verantwoordelijke man voor het economische beleid, de politieke lijn uitstippelde. Tegen deze 'trojka' viel niet veel in te brengen.

PERESTROJKA

Toch beweert Krenz in dit boek dat hij, gestimuleerd door de politiek van Gorbatsjov, wel heeft geprobeerd de zaken bij te sturen. Hoe? Dat maakt hij niet duidelijk. In ieder geval zag hij nog tot 1986 de mogelijkheid de bakens in de DDR te verzetten. Met Honecker. En dat was, zo zegt Krenz nu, ' mijn grootste fout... dat ik geloofd heb de koerswijziging in de politiek met Erich Honecker te kunnen voltrekken'.

Het was de perestrojka van Gorbatsjov die, aldus Krenz, een wig dreef tussen hem en Honecker. Op 10 oktober 1989 kwam het zelfs tot een breuk toen Krenz 'een scherpe analyse van de crisis in de DDR' aan het politbureau wilde voorleggen. Honecker verweet hem de partijleiding te willen splitsen en voegde eraan toe ervoor te zullen zorgen dat hij, Krenz, geen hogere partijfunctie hoefde te verwachten.

Toch is Krenz in Wenn Mauern fallen opvallend mild voor zijn vroegere leider. In een uitvoerige biografische schets wijst hij vooral op de stalinistische wortels van Honecker. Die plaatsten hem uiteindelijk lijnrecht tegenover Gorbatsjov. Aan deze tegenstelling ging de DDR ten slotte ten onder, meent hij. Dit is een juiste typering van Krenz. In een onlangs gepubliceerd interview wijst Honecker inderdaad Gorbatsjov aan als hoofdschuldige van zijn echec. Aanklacht: verraad van de DDR. Als meest welvarend socialistisch land had de DDR 'niets nodig van het nieuwe behang van Gorbatsjov'. 'Volle winkels of glasnost', dat was (is!) het credo waarmee Honecker, zo stelt Krenz, de sympathisanten van de Sovjetleider de mond plachtte te snoeren.

Zo voert Krenz dus het stalinisme op als verzachtende omstandigheid voor Honecker. Zelf beschouwt hij zich als een toegewijd discipel van Gorbatsjov, die hij beschrijft als de man die het socialisme een nieuwe kans geeft. Dat hij deze liefde in de nadagen van de DDR niet openlijk beleed, is hem misschien niet te verwijten. Oppositie tegen Honecker werd immers direct opgevat als een misdaad. En dat was geen prettig vooruitzicht.

Wat hem wel valt te verwijten is dat zijn geheugen hem bij de reconstructie van de laatste maanden van Oost-Duitsland lelijk in de steek liet. Voordat hij Honecker als partijleider opvolgde, was hij drie keer in het wereldnieuws en niet bepaald als bevlogen hervormer. De eerste keer was dat in zijn functie als voorzitter van de kiescommissie bij de gemeenteraadsverkiezingen in mei 1989. Het staat vast dat op last van het politbureau-lid Horst Dohlus, de uitslagen zijn vervalst. Krenz schrijft dat hij van niets wist. De tweede keer betrof het zijn vergoelijkende opmerkingen over het bloedige neerslaan van de studentendemonstraties in Peking vorig jaar juni. Hierover zegt Krenz nu dat hij daartoe werd gedwongen door de DDR-top. De derde maal ten slotte, stond in verband met het onverwachte vreedzame verloop van de eerste grote demonstratie tegen de SED op 9 oktober vorig jaar te Leipzig. Krenz is vaag, maar wekt de indruk dat hij verantwoordelijk was voor het niet-ingrijpen van de veiligheidstroepen. Ook dit blijkt niet uit nader onderzoek. Waarschijnlijk is het vreedzame verloop te danken aan de bezonnenheid van zowel de demonstranten als de soldaten.

MISVERSTAND

Krenz ziet als zijn grootste wapenfeit het openen van de Berlijnse Muur. De voortdurende vlucht van DDR-burgers via Tsjechoslowakije, dwong hem maatregelen te nemen zegt hij. Omdat er in het politbureau geen steun was voor het voorstel om ook aan de Tsjechische grens een muur te bouwen (een serieus plan, zo meldde het Duitse weekblad Der Spiegel), besloot men tot een emigratiewet. Door lagere ambtenaren werd een passage over een 'permanente reisvrijheid' aan het voorstel toegevoegd. Daarmee was vorig jaar op de avond van de 9e november de Berlijnse Muur passe.

Er is nog steeds veel onduidelijkheid over het hoe en waarom van de openstelling. Berichten over een verbijsterend misverstand tussen de DDR-leiding (in casu Krenz) en lagere echelons lijken wat overdreven. Krenz had de beruchte passage in de emigratiewet nog om vijf uur 's middags van de 9e november voorgelezen aan het Centraal Comite van de SED. Dat niemand de consequenties van het een en ander zou hebben begrepen, is op z'n minst eigenaardig. Desondanks gaat Krenz te ver als hij het openen van de Muur nu als een persoonlijke verdienste afschildert. Hij zag immers in de Muur ook een 'ontspanningsbevorderend' bouwwerk, dat 'de Koude Oorlog had beeindigd', zoals hij zelf schrijft. De Muur had wel, zo zegt hij nu, meer inzet hebben moeten zijn van een 'dynamische politiek'. Wat hij daarmee bedoelt, maakt hij verder niet duidelijk. Onverlet blijft evenwel, dat er volgens hem 'dwingende redenen' waren de Muur destijds te bouwen.

Wat voor Krenz pleit, wat zelfs een opluchting is in het nieuwe 'Ich-Habe-Es-Nicht-Gewuszt' klimaat in de voormalige DDR, is dat hij zichzelf tenminste niet geheel vrijpleit van schuld aan de misere: ' Ik schuif geen schuld op anderen af, maar draag deze ook'. Een wat vage verontschuldiging voor een te lang zwijgen. Over die schuld had Krenz wat uitvoeriger mogen zijn. Zijn verhaal van het einde van de DDR is nu toch teveel het verhaal van een met kleine details worstelend man. Dat levert wat aardige feitjes op, bij voorbeeld zijn bewering dat er geen Oostduitse troepen waren betrokken bij de inval van het Warschaupact in Tsjechoslowakije in 1968. Eerder dit jaar wees Horst Sindermann, in 1968 verantwoordelijk voor het zuidelijk grensgebied van de DDR, daar ook al op. Moskou en Berlijn hadden dat besloten teneinde een mogelijke associatie met de inval van de Duitse troepen in 1938 te voorkomen.

Maar al die feitjes leveren geen intellectueel ondergangsepos op. Daarvoor is Krenz ook teveel blijven hangen in dat afschuwelijke communistische jargon. Nu nog steeds heeft hij het over 'het subjectivisme van Honecker' en de als gevolg daarvan niet onderkende 'objectieve tegenspraken'. Wie een dergelijke kromtaal schrijft, zit geestelijk nog in het Lenin-tijdperk.

De apologie die Krenz hier te boek heeft gesteld zal de indruk niet kunnen wegnemen dat zijn historische rol in het Honecker-tijdvak ligt. Als leider van de partij en staat was hij slechts een verschijnsel van de oppervlakte: een kurk die meent de rivier voort te bewegen.