DRANKMISBRUIK

A History of Alcoholism door Jean-Charles Sournia 323 blz., Basil Blackwell 1990, vert. Nick Hindley en Gareth Stanton (Histoire de l'alcoolisme, 1986), f 97,50 ISBN 0 631 16026 4

In IJsland noemen ze iemand alcoholist als hij meer dan een keer per week laveloos is. Een keer is immers normaal. Drinkgewoonten verschillen sterk naarplaats en tijd, naar sociale klasse, leeftijd en geslacht. De consumptie van alcohol is waarschijnlijk ouder dan de landbouw, want ook van gistende bessen kun je aangeschoten raken. Verhalen over dronkenschap zijn in vele geschriften uit de oudheid terug te vinden, zoals de Bijbel en de heldendichten van Homerus.

In het Nabije Oosten en in Griekenland werd vooral wijn gedronken. Die drank was omgeven met een symbolische cultuur en werd geassocieerd met plezier, welzijn, warmte en mannelijkheid. Dat een forse wijnconsumptie tot problemen leidde, was welbekend. Zo beschrijft Hippocrates de klachten van een patient van hem die veel dronk: stijfheid, overgeven, slapeloosheid, delirium en onsamenhangende spraak.

Bij Hippocrates heeft Sournia de draad te pakken van zijn verhaal in L'Histoire de l'alcoolisme (dat zojuist werd vertaald in het Engels). De Franse geschiedschrijver is van huis uit arts. Dat schemert voortdurend tussen de regels door. Hij laat dokters uit alle tijden aan het woord en legt de grens tussen de prehistorie en de historie van het alcoholisme in 1849, toen de Zweedse arts Magnus Huss zijn boek Alcoholismus Chronicus publiceerde. Hierin werd overmatig drankgebruik voor het eerst als een ziekte beschreven, en dus als een zaak voor dokters.

Natuurlijk werd er ook voor 1849 en ook door anderen dan dokters gesproken en geschreven over excessieve alcoholconsumptie. Maar zij hadden het niet over alcoholisten, maar over zatlappen, zwakkelingen, immorelen, gedegenereerden, en ander gevaarlijk tuig. Zij zagen veel drinken als een moreel probleem, een probleem voor de openbare orde, een economisch probleem of een sociaal probleem. Het zou heel interessant zijn om de discussies over de definitie van het probleem te ontrafelen, maar dat doet Sournia helaas niet.

De geschiedenis van dronkenschap is onlosmakelijk verbonden met die van drinken in het algemeen en met die van de produktie van drank. Door uitvinding van het gedestilleerd in de late middeleeuwen kwamen er bijvoorbeeld veel sterkere dranken op de markt dan de uit gisting onstane dranken van daarvoor. Dat had allerlei gevolgen voor consumptiepatronen. Sournia beschrijft daarvan wel enkele voorbeelden, maar die doen nogal willekeurig aan. Hij dicht de Nederlanders trouwens de uitvinding van het gedestilleerd toe, maar geeft daarbij geen bron.

Ondanks het interessante onderwerp, deugt de opzet van dit boek jammer genoeg niet. Sournia kan geen afstand nemen van zijn rol als hedendaagse dokter. Hij beschrijft de geschiedenis van het denken over alcoholisme als een rechtlijnige ontwikkeling in de richting van het huidige, 'juiste' standpunt. Normatieve en beschrijvende uitspraken lopen daarom voortdurend op een jammerlijke wijze dooreen.

    • Dick van Eijk