Discussie over rapport cie Deetman niet beperken tot bestuurlijke vernieuwing; Ander kiesstelsel niet opportuun

Op het voor Tweede Kamer ongebruikelijk vroege tijdstip van acht uur in de ochtend, werden vorige week vrijdag de eerste exemplaren van het rapport van de commissie Deetman uitgereikt. Die middag stonden de eerste reacties van de politiek reeds op schrift. 'De PvdA-fractie heeft met waardering kennis genomen... , de CDA-Tweede Kamerfractie heeft met belangstelling kennis genomen... ., de VVD-fractie juicht het toe... '.

Hoe nu zijn die vrijdag alle fracties in spoedzitting bijeengekomen? Toch voor alle zekerheid maar wat Kamerleden gebeld. Hadden ze vergaderd over het rapport Deetman? Antwoord: Nee, natuurlijk niet, dat rapport was toch maar net uit?

Een betere demonstratie van wat in het eerste hoofdstuk van de commissie Deetman wordt geschreven over 'verkokering' en het gebrek aan generalisme bij de parlementariers had de Tweede Kamer diezelfde vrijdag niet kunnen geven. De fractiespecialisten lazen het rapport, spraken erover met hun fractievoorzitters en zetten vervolgens namens de fractie het standpunt op papier. De lijn was bepaald. Zo gaat dat nu eenmaal in grote fracties, is de berustende verdediging van Kamerleden die in het door hun afdeling fractievoorlichting uitgegeven persbericht konden lezen hoe zij over het rapport dachten. Inderdaad, de commissie Deetman heeft volkomen gelijk als zij schrijft: 'Het beter of slechter functioneren van de volksvertegenwoordiging als controlerende instantie en als medewetgever, lijkt soms meer af te hangen van de interesse en de ambitie van de leden dan van de hantering van de geschreven en ongeschreven regels.'

Van de interesse en ambitie van de Kamerleden hangt het ook af of er, na de vorige week verschenen vraagpuntennota van de commissie Deetman, nu ook daadwerkelijk stappen worden gezet voor bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwing. Vergeleken bij vorige commissies (Biesheuvel, Cals/Donner) is het politieke bedrijf veel directer bij de discussie betrokken. Een commissie bestaande uit onder anderen zes fractievoorzitters die een praktisch unaniem rapport afscheidt, dat schept toch verplichtingen zou men zeggen. Wat dat betreft was het eind vorig jaar een prima suggestie van D66-leider Van Mierlo om de politieke leiders van meet af aan bij de discussie te betrekken. 'Daarmee', zo schreef hij zijn collega's, 'zou een situatie ontstaan die enigszins vergelijkbaar is met die van anno 1917/1918 toen het politieke leiderschap een godsvrede sloot en daardoor in staat was de basis te leggen voor een stelsel dat jarenlang kon functioneren'.

Dat de wil voor verandering aanwezig is zij het voorzichtig en met mate blijkt wel uit de nota van de comissie Deetman. Er wordt erkend dat er 'knelpunten' bestaan tussen kiezer en gekozene: 'De kiezers bepalen wel de krachtsverhoudingen, maar niet, althans niet direct, de macht'. Een zin waarvan het copyright al vijfentwintig jaar rust bij Van Mierlo, maar nu dan door vijf andere fractieleiders is overgenomen. De commissie Deetman signaleert voorts dat ondanks de nieuwe grondwet van 1983 de spanningen tussen kiezer en gekozene 'niet of nog niet in voldoende mate' zijn verminderd en dat 'de balans tussen wetgeving, bestuur en rechtspleging is verstoord.' Wie dit allemaal signaleert kan het niet bij vragen laten. Daarom is de discussie over bestuurlijke -en staatsrechtelijke vernieuwing sinds vorige week een stuk minder vrijblijvend geworden.

Maar dat het de komende tijd meer over bestuurlijke dan over staatsrechtelijke vernieuwing zal gaan, lijkt nu al vast te staan. Voor politici is het praten over de kwaliteit van het overheidsapparaat nu eenmaal een stuk veiliger dan praten over een ander kiesstelsel of, nog dichterbij, het verbod om tijdens commissievergaderingen te werken met geprepareerde teksten op papier. De eerste reactie van het CDA op het rapport Deetman was wat dat betreft typerend. Voorstellen om het 'Haagse' bestuursapparaat op allerlei manieren te decentraliseren, kunnen niet snel genoeg worden omgezet in concrete daden. Maar als het gaat om de relatie kiezer en gekozene komt het CDA niet verder dan de uiterst zuinige opmerking dat de fractie wil 'afwachten wat de voorgestelde nadere studies meer concreet kunnen opleveren'.

In het gistermiddag gepresenteerde rapport 'Publieke gerechtigheid' van het wetenschappelijk instituut van het CDA, met daarin een 'christen-democratische visie op de rol van de overheid in de samenleving', wordt in feite definitief afgerekend met staatkundige nieuwigheden. Het referendum wordt afgewezen, omdat het 'in zijn uiterste consequenties zou leiden tot het ondergraven van de indirecte democratie'. Het enige waarover volgens een deel van de opstellers van het rapport verder over kan worden nagedacht is een zeer geclausuleerd 'correctief wetgevingsreferendum'. Over het kiesstelsel wordt in het rapport opgemerkt dat dit niet gewijzigd hoeft te worden.

Ook van de VVD is, als het om staatsrechtelijke vernieuwing gaat, vooralsnog weinig te verwachten. De reactie van de liberalen op deze onderdelen van het rapport Deetman sprak boekdelen. De fractie zou zich nog eens 'beraden' over de vraag of nieuwe studies naar puur staatsrechtelijke punten wel 'zinvol en nuttig' zijn. Geen wilde experimenten is eveneens de teneur van het deze week gepresenteerde rapport van een VVD-commissie met 'het liberale antwoord op nieuwe uitdagingen' in de komende jaren.

'Voor liberalen wordt de democratische legitimiteit van het staatsgezag in ons land het best gewaarborgd indien het berust op vertrouwen van vertegenwoordigende lichamen die door de stemgerechtigde burgers op gezette tijden in volle vrijheid worden gekozen. Deze voorkeur voor vertegenwoordigende democratie doet ons ook huiverig staan tegenover voorstellen tot invoering van referendum of volksinitiatief die niet bij onze tradities aansluiten en geen garantie voor betere besluitvorming bieden', aldus de commissie Nord.

Het is jammer dat deze commissie met geen woord rept over de interne partijcultuur. Alsof dat niets te maken heeft met de verstoorde relatie tussen kiezer en gekozene. Politieke partijen zijn getransformeerd in vergadermachines en werken zodoende eerder afstotend op geinteresseerden in het politieke debat. Vaak is niet de kracht van het argument doorslaggevend, maar de kennis van de procedure. Om maar bij de commissie Nord te blijven: hun rapport, bedoeld als bijdrage aan het 'grote debat over het liberalisme' zou volgens het hoofdbestuur tevens een 'uitgangspunt' moeten zijn voor het verkiezingsprogramma 1994-1998 (!). Maar de afdelingen wordt wel opgedragen de besluitvorming voor 31 januari aanstaande af te ronden.

De PvdA is zich wel bewust van het probleem. Onlangs is een speciale commissie onder leiding van ex-minister Van Kemenade aan het werk gezet die ertoe moet leiden dat, zoals voorzitter Sint afgelopen zondag zei 'wordt afgestapt van een uit de nieuw links tijd stammende vergader -en selectiecultuur'. De nieuwe voorzitter van D66, R. Jansen, kondigde twee weken geleden in zijn congrestoespraak aan dat hij de partij toegankelijk wil maken. En ook het wetenschappelijk bureau van het CDA spreekt in zijn rapport uit dat politieke partijen zich zouden moeten 'bezinnen' op hun functioneren.

Maar zal dat voldoende zijn om de band tussen de kiezers en hun gekozen vertegenwoordigers te herstellen, of anders gezegd zal louter een andere partijcultuur in deze ontzuilde tijd de betrokkenheid van de kiezer vergroten? In het analyserende deel van het rapport Deetman wordt een duidelijk verband gelegd tussen enerzijds verbetering van de kwaliteit van het bestuur en anderzijds versterking van de relatie kiezer en gekozene. Het gaat dus om bestuurlijke en staatkundige vernieuwing. Als die twee zaken uit elkaar worden gehaald, is de commissie Deetman alsnog mislukt.

    • Mark Kranenburg