DEN HAAG STUURT NA 114 DAGEN GIJZELING NEDERLANDERS IN IRAK LUNS NAAR BAGDAD; Gijzelingszaak was voor kabinet voor kabinet geen agendapunt; Weerstand van staatssecretarissen Ter Veld en Simons op bijeenkomst met familieleden te verschijnen was groot

Na honderdveertien dagen gijzeling in Irak was de Nederlandse politiek zo ver dat zij zich er toe kon brengen een humanitaire missie naar Bagdad te sturen met als doel gijzelaars vrij te pleiten. Nederland is een van de laatste Europese landen die een missie stuurt. Eensgezindheid met de andere EG-landen was tot nu toe het zwaarste argument om er van af te zien. Van eensgezindheid is echter nog slechts in naam sprake.

Een kleine tweehonderd familieleden van de Nederlandse gijzelaars in Irak druppelt op dinsdagavond 30 oktober tegen een uur of zes in groepjes het ministerie van buitenlandse zaken in Den Haag binnen. In de bij vlagen neerdalende regen wordt het grote kunstwerk voor de ingang, van beeldhouwer Auke de Vries, door de meesten niet opgemerkt. De bij deze avond zo passende symboliek ervan, de weerbarstige werkelijkheid, waarin alles onaf en onvolmaakt is, blijft voor hen verborgen.

Ze worden zwaar beproefd, deze vrouwen en mannen in vele leeftijdsklassen. Hun mannen, vaders, zoons zitten inmiddels al bijna drie maanden vast als onvrijwillige 'gast' van Saddam Hussein. De stemming is gedrukt, als bij een begrafenis. Een enkele malen opklinkende lach, een al te enthousiast uitgesproken 'hallo' krijgen iets ongepasts. Enkelen hebben echter al wat strijdvaardigs over zich; er moet nu maar eens iets gebeuren. De gijzelaars in Bagdad, die hun angst en verveling verdrijven met slapen en alcohol, voelen zich zo langzamerhand door Nederland in de steek gelaten.

De familieleden worden bij de ingang van de grote kantine in het betonnen doolhof opgewacht door secretaris-generaal dr. B. Bot, de in het Haagse departementale wereldje als briljant bekend staande manager van het ministerie. Enkelen van hen kennen hem al van de telefoon of van korte bezoekjes aan het crisiscentrum. Ze mogen hem wel. Bot straalt begrip uit voor de positie van de gijzelaars; hij heeft zelf als jongetje vier, vijf jaar in een Japans interneringskamp in Nederlands-Indie gezeten.

In de Golfkwestie stelt Bot dezelfde diagnose als minister Van den Broek, namelijk dat elke ogenschijnlijke concessie aan de Iraakse president deze verder in zijn ontoegeeflijke houding zal doen volharden. De kans op een gewapend conflict neemt daardoor toe, waardoor uiteindelijk niet alleen de achterblijvende gijzelaars, maar de hele wereld slechter af zal zijn. Niettemin zal de secretaris-generaal in de weken die volgen zijn minister enkele keren bewegen tot een wat flexibeler standpunt tegenover eventuele humanitaire missies naar Bagdad.

'Wat wij werkelijk doen, kunnen de mensen niet zien en dus zullen ze steeds vaker beweren dat we niets doen', zegt Bot binnenskamers. De publieke opinie zal zich in zijn analyse steeds minder tegen Saddam Hussein richten en steeds vaker tegen de Westerse regeringen, die er als het ware de schuld van zullen krijgen dat er nog steeds gijzelaars in Bagdad zitten. Bot steunt ook tegenover Van den Broek het voorstel van diens nieuwe woordvoerder, drs. D. Istha, om de bijeenkomst met de familieleden te organiseren.

Istha kent de materie. Voordat hij bij Buitenlandse Zaken kwam, heeft hij als socioloog een boek over gijzelingen geschreven, getiteld 'Crisisinterventie. Strategie of therapie'. Zijn belangrijkste conclusie is dat degenen die dergelijke zeer moeilijke kwesties moeten oplossen, de neiging hebben daarover met steeds minder mensen te overleggen. Door de bijeenkomst met de familieleden zou de minister op nieuwe ideeen kunnen komen.

Wat de familieleden niet weten is dat er inmiddels felle woordenwisselingen hebben plaatsgehad tussen Buitenlandse Zaken en andere ministeries. Het departement wilde ook de staatssecretarissen Ter Veld (sociale zaken) en Simons (volksgezondheid) erbij halen. Een gijzeling van Nederlanders in het buitenland is niet alleen een zaak van Buitenlandse Zaken; bovendien verkeert een aantal families in ernstige financiele problemen, doordat de kostwinner in Bagdad vast zit en er geen bedrijven zijn die het salaris doorbetalen. Anderen raken langzamerhand in geestelijke nood. De beide staatssecretarissen aarzelen lang, willen eigenlijk niet bij de zaak betrokken worden. Van den Broek belt met hun ministers, De Vries en d'Ancona, om hen te overreden hun staatssecretarissen te sturen.

Zijn argumenten zijn blijkbaar overtuigend, want beiden verschijnen op de bijeenkomst. Hun houding is er echter een van grote terughoudendheid. Simons protesteert tegen het feit dat hij gedwongen aanwezig moet zijn en dat hij als mede-uitnodiger tegenover de familieleden wordt gepresenteerd. Ter Veld laat op ondubbelzinnige wijze weten dat zij niet van plan is iets te doen voor in financiele moeilijkheden verkerende gezinnen van gijzelaars. Zelfs vragen later op de avond over bijstand verwijst zij door naar Van den Broek: 'Daarvoor moet u bij de minister zijn'. Simons en Ter Veld zijn zwijgend aanwezig.

Vijf dagen eerder was Van den Broeks woordvoerder Istha tijdens de wekelijks bijeenkomst van de ministeriele voorlichtingschefs ook al op massieve tegenstand gestoten. Ze vinden het in strijd met de gulden regel bij gijzelingen dat de minister zelf wordt geconfronteerd met de familieleden. In het bijzonder C. Gravendaal van Landbouw en H. Mulder van WVC houden vol dat degene die mede beslist over het lot van de gijzelaars niet in direct contact mag worden gebracht met betrokkenen. Istha moet zijn minister voor die fout behoeden, vinden zij.

De discussie loopt zo hoog op dat Istha zijn collega Mulder toebijt dat ze bij WVC makkelijk praten hebben met geen grotere problemen dan die met pitbullterriers. J. Schinkelshoek van Justitie, vele jaren woordvoerder van de CDA-fractie, verlaat de bijeenkomst hoofdschuddend met de woorden: 'Als Van den Broek eenmaal iets in zijn hoofd heeft, krijg je dat er niet meer uit'. Istha deelt op de volgende bijeenkomst wat exemplaren van zijn boek over gijzelingen uit.

De discussie onder de voorlichtingsdirecteuren weerspiegelt het gevoel van onbehagen dat de politici in Den Haag zo langzamerhand bekruipt met betrekking tot de gijzeling. De Fransen zijn aan het onderhandelen met Saddam Hussein; de berichten duiden erop dat alle 330 Fransen mogen vertrekken. Er zijn al Duitsers, Finnen, Oostenrijkers, Spanjaarden, Grieken, Zweden en Oostenrijkers vrijgelaten en vanuit andere landen komen berichten dat missies zich opmaken voor vertrek naar de gijzelaarsbazar van Bagdad.

In Duitsland is sprake van een missie van de 76-jarige oud-bondskanselier Willy Brandt. De maandag tevoren (22 oktober) hadden in Nederland vrouwen van gijzelaars, die zelf in augustus met hun kinderen waren vrijgelaten, een petitie aan Van den Broek aangekondigd, waarin zij om een onderhandelaar zouden vragen. Een van de leidsters van die groep is mevrouw I. van Thiel-Koopmans uit Gemert, wier man, een contactlenzenspecialist, in Bagdad zit.

Van den Broek reageert wat geprikkeld. Hij ziet dat als doorkruising van de afgesproken lijn om geen concessies te doen aan Bagdad. Moeten de gijzelaars dan straks gaan dobbelen wie mee mag? Wordt de positie van de achterblijvers niet nog slechter en de prijs voor hun vrijlating niet steeds hoger, vraagt hij zich voor tv-camera's af. Hij blijft bij zijn standpunt dat hij geen eigen Nederlandse delegatie naar Irak wil sturen.

Ook de Tweede Kamerleden in de vaste commissie voor buitenlandse zaken, die een gesprek hebben met mevrouw Van Thiel, blijven voorlopig naar buiten toe eensgezind achter Van den Broek staan. De vraag echter of men die principiele houding nog lang kan volhouden, wordt binnenskamers al gesteld. Behalve Van den Broek gaat niemand de strijd met de gevreesde ontwikkeling van de publieke opinie aan. De politici trekken hun nek in, de meesten willen nog slechts 'off the record' praten; ze weten dat ze in een mijnenveld lopen en dat maakt hen nerveus.

Ook op de kabinetsagenda komt de gijzeling niet voor. Van den Broek informeert premier Lubbers en vice-premier Kok een enkele keer in de marge van het kabinetsberaad; daar blijft het bij. Hoe anders is de behandeling van deze gijzeling in vergelijking met de treinkaping bij De Punt in 1977, toen premier Den Uyl en minister van justitie Van Agt dagenlang in het crisiscentrum aanwezig waren. De premier laat de zaak nu geheel over aan Van den Broek.

Tijdens de bijeenkomst met de familieleden op het ministerie krijgt deze te horen dat men begrip voor zijn houding heeft, maar hem wordt toch gevraagd iets te doen. 'Ik zit hier met een verscheurd hart', zegt hij, maar hij geeft niet toe. Aan het einde van de avond staat dominee D. Wouters, predikant van de gereformeerde Waalkerkgemeente in Amsterdam op, wiens zoon Siego in Bagdad vast zit. 'Ik stel voor dat wij een familiecomite oprichten. Iedereen die daaraan mee wil doen, kan na afloop zijn naam en adres bij mij achterlaten.' Wouters krijgt onmiddellijk steun van de vader van een andere gijzelaar, drs. P. Bakker, een rector uit Holten. Daags daarna bellen mensen van het crisiscentrum op Buitenlandse Zaken alle niet-aanwezige familieleden af ten behoeve van het comite-Wouters.

Daarmee begint een proces van actie en reactie, waarin niet alleen het familiecomite, de gijzelaars in Irak en de minister een rol spelen, maar ook Tweede-Kamerleden, de media, buitenlandse staatslieden, de publieke opinie en in toenemende mate Saddam Hussein via zijn ambassadeur in Den Haag, Al-Falaki. De eerste grote bres in het standvastige front wordt geslagen door SPD-prominent Willy Brandt die eerst op eigen iniatief, vervolgens met de zegen van de regering-Kohl, naar Irak denkt te gaan, die zegen weer verliest, besluit niet te gaan en uiteindelijk toch wel gaat.

De latere reacties van Van den Broek, Lubbers en ook Kok op deze missie-Brandt zijn niet te verklaren zonder de acties van de groep-Wouters, die zich inmiddels Comite 'Gijzelaars vrij' noemt. Wouters gaat, zoals hij het zelf uitdrukt, met de pet rond en haalt 30.000 gulden op voor een eigen missie met hemzelf, J. Ruijter, coordinator van het Mozeshuis in Amsterdam, een centrum voor volwassenen-educatie, en imam Hamzah Zeid, islamitisch geestelijk leider uit Utrecht. Imam Zeid stelt direct voor ook een moeder van een gijzelaar mee te sturen, 'omdat de moeder een grote rol speelt in de Arabische traditie'.

Even had het erop geleken dat Janmaat, evenals naderhand zijn Franse tegenvoeter Le Pen, een visum zou krijgen. De Iraakse ambassadeur ziet daar tot opluchting van het gehele Binnenhof later weer van af. In diplomatieke kringen in Den Haag wordt verteld dat Al-Falaki, die geen Nederlands leest of spreekt, 'christen-democraten' en 'centrum-democraten' door elkaar had gehaald en dacht dat het CDA-Kamerlid mevrouw Janmaat-Abee zich had gemeld. Een parlementslid van de grootste partij leek hem op dat tijdstip nog wel interessant. Later worden parlementsleden door Bagdad te licht bevonden.

Het comite-Wouters mag het proberen. Aanvankelijk lijkt alles goed te gaan. Islamitische organisaties in Nederland laten weliswaar direct weten dat Hamzah Zeid niemand vertegenwoordigt, maar de onderhandelingen met de Iraakse ambassadeur stevenen op een snel resultaat af. Op de ochtend van donderdag 1 november zegt Al-Falaki tegen deze krant dat de delegatie 'een grote kans' op een visum maakt.

Na een gesprek van zijn delegatie met de ambassadeur in Den Haag maakt Wouters bekend dat zij als 'vredesmissie' zal gaan. Dat predikaat zou in Bagdad alle deuren openen. 'De Nederlandse regering heb ik het woord vrede nog niet in de mond horen nemen', zegt de ambassadeur verongelijkt. De missie, zo is men met elkaar overeengekomen in de kamer van de ambassadeur, zal een tweeledig doel dienen: de vrijlating van zoveel mogelijk 'gasten' en het in Nederland meer bekendheid geven aan de achtergronden van het conflict.

Tot dat eerste komt het niet, want de koers voor de vrijlating van gijzelaars is in Bagdad opgelopen tot een hogere rang van autoriteiten. Het comite-Wouters wordt te licht bevonden. De predikant krijgt openlijk de raad naar zwaardere figuren te zoeken. Tegenover derden laat Al-Falaki weten 'geen behoefte' te hebben aan wat hij 'clowns' als Wouters en zijn comite noemt.

Na deze afwijzing begint het drietal direct kandidaten te zoeken. De namen van de oud-ministers Van der Stoel, Schmelzer en De Ruiter vallen. De media beginnen mee te denken. Massabladen als De Telegraaf en het Algemeen Dagblad schuiven Joseph Luns naar voren, jarenlang Nederlands populairste politicus.

Het wordt al snel duidelijk dat mensen als Van der Stoel en Luns niet willen vertrekken zonder steun van de regering. Die wil Van den Broek echter nog steeds niet geven. Hij verandert zijn opvatting ook niet wanneer Willy Brandt na vijf dagen verblijf in Irak in Frankfurt terugkeert met 175 gijzelaars, onder wie tien Nederlanders. Hij had er, zei hij, voor moeten praten 'alsof het CAO-onderhandelingen betrof'.

Toch raakt Van den Broek door de kwestie-Brandt meer en meer in de verdediging tegenover het familiecomite en de publieke opinie. Hij voelt dat zelf ook en op vrijdagmorgen 2 november, twee dagen voordat Brandt in een gratis door de Lufthansa beschikbaar gestelde Boeing, gaat hij in de aanval. Zijn woordvoerder Istha verspreidt het plan dat Brandt Van den Broeks zegen zou krijgen als hij namens VN-secretaris-generaal Perez de Cuellar zou gaan. Van den Broek belt inmiddels zelf met Perez en vervolgens met zijn Duitse collega Genscher. Deze voelt wel iets voor het idee, maar hij geeft de Nederlandse minister weinig hoop. Niettemin weet Van den Broek later op de dag ook Lubbers en Kok mee te krijgen. Lubbers belt tussen het kabinetsoverleg door met Kohl. Kok tracht Brandt te bereiken, die echter in New York zit, zodat hij het met diens secretaris Lindenberg moet doen.

In de loop van deze simultaan-telefonade verneemt de premier van zijn vriend Kohl dat deze inmiddels ook een vlucht naar voren heeft genomen en Brandt zou willen doen vergezellen van enkele prominente politici van 'andere politieke families'. De namen van de Belgische liberaal De Clerq en de bekende Zuidamerikaanse christen-democraat Fernandez komen tevoorschijn. Op zijn wekelijkse persconferentie 's avonds presenteert Lubbers het plan in een toonzetting die op naderend succes duidt. Perez en Brandt laten het echter beiden afweten. Brandt ziet het plan slechts als onhandige stappen van Kohl en Genscher om hem de voet dwars te zetten, omdat ze bang zijn voor electoraal succes voor de sociaal-democraten.

De missie van Brandt brengt inmiddels ook veranderingen in het denken teweeg bij de PvdA-fractie. In de eerste plaats bij het Tweede-Kamerlid A. Melkert, behalve financieel woordvoerder ook de eerste man voor zowel Suriname als het Midden-Oosten. 'Door de missie van Brandt ontstond er voor ons een nieuwe situatie. Het gevoel begon aan mijzelf en aan mensen om mij heen te knagen dat de actieve houding van Nederland om de schaapjes op een lijn te houden in strijd kwam met de werkelijkheid van steeds meer missies uit de andere landen', zegt Melkert daarover later.

Niettemin houdt hij zich koest; hij wil de eensgezindheid naar buiten toe niet doorbreken. Van den Broek verdubbelt inmiddels zijn inspanningen. Als Brandt naar Bagdad is vertrokken deponeert de Nederlandse minister samen met zijn Belgische collega Eyskens een verzoek bij het Italiaanse EG-voorzitterschap voor een spoedberaad in Rome naar aanleiding van de missie-Brandt. Nadat ook Genscher dit voorstel ondersteunt, wordt de bijeenkomst voor maandagavond 5 november uitgeschreven.

Het wordt een wat machteloos gebeuren, door een Italiaanse diplomaat beschreven als 'boe-roepen in een donker bos'. In de slotverklaring wordt maar niet eens meer op de toch al begonnen tocht van Brandt ingegaan. Men beperkt zich tot een nieuw verzoek aan Perez de Cuellar een bemiddelingspoging te wagen. Dominee Wouters zegt naderhand dat de actie met de spoedvergadering Nederland in Bagdad geen goed heeft gedaan. Hij krijgt dat te horen van de Iraakse ambassadeur.

De dam dreigt door te breken. Het CDA-Kamerlid Jaap de Hoop Scheffer gaat nu tot actie over. Hij organiseert een bijeenkomst tussen de Kamercommissie voor buitenlandse zaken met Van den Broek direct na diens terugkeer uit Rome op 7 november. Een ongebruikelijk initiatief. Vos en Melkert zijn er namens de PvdA, Weisglas namens de VVD, Eisma van D66, Willems van Groen Links, Middelkoop van het GPV en Gualtherie van Weezel en De Hoop Scheffer van het CDA. Opvallend genoeg blijft dit beraad voor de media verborgen tot maandag 12 november. Buitenlandse Zaken zegt dan dat het een zaak van 'even bijpraten' was geweest. Kamerleden hebben een andere visie: ze hebben daar allerlei scenario's de revue laten passeren en naar de toekomst gekeken', zegt een van hen.

Melkert geeft op 7 november voor het eerst duidelijk aan dat er wat moet gebeuren, omdat de starre houding van 'geen missies' naar zijn opvattingen niet meer houdbaar is. Hij wil over modellen praten. De andere aanwezigen hebben de indruk dat Melkert niet namens zijn fractie, maar alleen namens zichzelf spreekt. Van den Broek vraagt vijf dagen respijt. De baggeraars dreigen vrij te komen, onderhandelingen daarover zijn in een laatste stadium.

Projectleider ir. H. B. Huisman van de joint venture Boskalis International/ Volker Stevin Dredging reist al weken lang voortdurend van de baggerschepen in het zuiden van het land naar Bagdad om persoonlijk te onderhandelen met de minister van transport. Deze weet heel goed welke rol de baggeraars vervullen in de Nederlandse media. Er worden zelfs tv-opnamen gemaakt van de onderhandelingen, naar men bij Boskalis en Volker Stevin vermoedt om straks bij het vertrek van de schepen met hun bemanningen in een propagandafilm te kunnen gebruiken.

Op 10 november krijgt de projectleider van de minister van transport de mondelinge toezegging dat de 105 baggeraars mogen vertrekken. Er moet op zijn wens echter nog een schriftelijk stuk worden opgesteld, waarin beide partijen verklaren dat het werk is voltooid en betaald. Dat zal weer enkele dagen in beslag nemen. Als de Kamercommissie voor buitenlandse zaken op 12 november opnieuw in Van den Broeks kamer zit deze keer op diens verzoek vraagt deze nog een week respijt ten behoeve van de baggeraars.

Dat geduld kan men nauwelijks meer opbrengen. Brandt is inmiddels terug met tien Nederlanders, de gijzelaars in Irak hebben een brief aan regering en parlement gestuurd met het dringend verzoek om een bemiddelaar en de Belgen kondigen aan een parlementaire missie te zullen sturen. De ministers van buitenlandse zaken hebben dat weekeinde weliswaar de belofte gekregen van de vijf ministers van de Maghreb-landen (Tunesie, Marokko, Algerije, Libie en Mauretanie) dat deze hun invloed in Bagdad zullen aanwenden voor vrijlating van de Westerse gijzelaars, maar niemand gelooft in het effect daarvan.

PvdA-man Melkert doorbreekt het stilzwijgen. Tegenover deze krant geeft hij 's morgens een zware betekenis aan de brief van de gijzelaars. Als de ministers van de Maghreb-landen niet snel met resultaten kwamen, ontstaat er voor hem 'een nieuwe situatie voor de opstelling die Nederland moet kiezen ten opzichte van de positie van de gijzelaars'. Voordat hij deze zin formuleert, vergewist hij zich van de steun van fractieleider Woltgens en partijleider Kok. Hij herhaalt dat standpunt 's avonds op de televisie. Ook Gualtherie van Weezel (CDA) sluit een missie niet meer uit. In die tweede bijeenkomst met de minister op 12 november verwijt Gualtherie van Weezel zijn coalitiegenoot Melkert dat hij door diens uitlatingen werd gedwongen ook bij te draaien.

Ook Van den Broek laat nu merken zich niet langer tegen een humanitaire missie te verzetten. Afgesproken wordt dat dit geen regeringsmissie mag zijn, maar een humanitaire die vanuit het parlement wordt georganiseerd. De buitenlandcommissie draagt die taak over aan de fractieleiders. Zowel de CDA'er Aarts als Gualtherie blijken een voorkeur te hebben voor een parlementaire delegatie, volgens anderen vooral omdat ze daar voor zichzelf wel een rol in zien. De fractie schiet die gedachten de volgende ochtend rigoureus in duigen: geen parlementaire missie.

Het wachten is inmiddels nog steeds op de baggeraars. Brinkman neemt na een bijeenkomst met minister Van den Broek en ambassadeur dr. N. van Dam, die voor consultatie naar Den Haag is geroepen, direct de redenering over dat er nog geen missie heen moet voordat de terugkeer van de baggeraars zeker is. Als dat bericht afgelopen dinsdag komt, is de weg vrij voor de inmiddels door Brinkman gepolste oud-minister Luns. Het familiecomite moet intussen acht dagen wachten totdat Brinkman contact met hen opneemt en woensdagmiddag 21 november opnieuw geen toezegging doet. De fractieleiders die zeggen op te treden in naam van het familiecomite spreken niet met hen. 'Ik voelde mij wel enigermate aan het lijntje gehouden', zegt ds. Wouters daarover.

Ook bij de definitieve aankondiging dat er een missie-Luns naar Irak gaat, afgelopen donderdagmiddag, legt Brinkman er keer op keer de nadruk op de missie uitsluitend te organiseren op verzoek van het familiecomite. Luns staat niet eens op het lijstje namen dat de familie bij de regering heeft ingeleverd. De fractieleiders sturen formeel Luns niet zelf, maar hebben hem wel uitverkoren en Brinkman heeft hem gevraagd. Formeel laten ze de zaak nu verder aan Luns over, maar ze vragen wel de oud-ambassadeurs De Hoop Scheffer en Rutten de nodige regelingen met Irak te treffen.

Naar buiten toe moet de schijn blijven bestaan dat dit een prive-initiatief is, waar Nederland officieel eigenlijk niets mee te maken heeft. 'De eensgezindheid is het hoogste goed', zei de Italiaanse minister van buitenlandse zaken, De Michelis, al na afloop van de spoedeisende ministersvergadering op 5 november in Rome, waar men nog slechts kon vaststellen dat er van eensgezindheid slechts op een punt sprake was: bij het ophouden van de schijn. Na 114 dagen gijzeling kan dat de gijzelaars in Bagdad echter helemaal niets meer schelen. Als er maar iemand komt.

    • Rob Meines