Dekendans

'De Barbier van Sevilla' kabbelde voort. Gelukkig was het verhaal, zoals van de meeste opera's, niet moeilijk te volgen, want van het in het Russisch gezongen libretto begreep ik niets. Helaas bleken de topzangers op tournee te zijn. Nadat de vertolker van Figaro zijn overbelaste strottehoofd had laten horen, kreeg ik meer oog voor de schoonheid van het wereldberoemde Kirov-theater. Het contrast met de oncomfortabele houten eetkamerstoelen was groot. Op de wanden, lichtblauw tot turquoise van kleur, waren goudbeschilderde neo-barokke ornamenten aangebracht. Subtiel was menig hamer en sikkel erin verwerkt. Het anachronistische stucwerk was boeiender dan de niet zuiver zingende Russen, die daar in het Sevillaanse een verdwaalde indruk maakten. Halverwege het tweede tafereel van het eerste bedrijf schrok ik wakker van een reus van een Rus, die beschikte over een stem, passend bij zijn postuur. Hij zong ongekend zuiver en speelde met overgave de rol van Basilio.

Het was de inleiding tot een geschreeuw en getier in gezang verpakt, waarbij menigeen door elkaar heen liep. De vrouw waar het om ging was Rosina. Graaf Almaviva wilde haar huwen, maar zij was de knappe pupil van zijn concurrent, dokter Bartolo, bij wie zij verbleef. Om daar een stokje voor te steken, had Almaviva zich als een dronken soldaat vermomd en zich met zijn gevolg toegang tot het huis van Bartolo verschaft. Kamers moesten er gevorderd worden. Plotseling haalde Almaviva ergens een toneelgeweer onder vandaan, en vuurde er, om zijn woorden kracht bij te zetten, vlakbij het souffleurshokje twee schoten mee af. Een vonkenregen daalde op het toneel neer. Na de stilte die deze schok veroorzaakte, verviel het spel weer in chaos om pas achter het snel neergelaten doek te verstommen. Het eerste bedrijf was afgelopen. Wat een vuurwerk! Hoe moest dat aflopen?

En masse rees het publiek uit de stoelen en schuifelde naar de foyers. Aangezien ik met mijn gezelschap vooraan zat, wachtten wij tot er ruimte genoeg was om naar de uitgang te gaan. Driekwart van het publiek had de zaal al verlaten, toen mijn vriendin rooksliertjes uit het souffleurshokje zag opstijgen. In de orkestbak bevond zich nog een muzikant. 'Fire, fire', riep zij hem toe. De muzikant draaide zich om en kwam tussen de muziekstandaards doormanoeuvrerend naar haar toegelopen. Onderwijl haalde hij een aansteker uit zijn jaszak. , Nee, daar!', riep zij over de man naar het hokje wijzend, waar de vlammen al langs de rand naar buiten likten.

Verschrikt draaide het orkestlid zich om en bedacht zich geen moment. Snel raapte hij ergens een deken vandaan en sprong het toneel op. Met een verbeten gezicht begon hij verse zuurstof het hokje in te wapperen. Zijn dekendans werkte averechts; fel sloegen de vlammen nu naar buiten. Als een aangeslagen bokser deinsde hij achteruit, maar hij stond al direct met zijn rug tegen de touwen: het doek. Met gespreide armen, de deken in de rechterhand, stond hij daar, op ruim twee meter van het vuur, als de beschermer van het fluweel. Enkele minuten later maakte het langzaam zakkende stalen brandscherm een einde aan dit benauwde stilleven. Moedeloos en verhit nam de muzikant afstand van de brandhaard.

De vlammen sloegen ruim een meter uit het hokje toen, wat later, aan de rechterkant van het podium een toneelknecht opkwam die een zware, aan de naden geoxydeerde brandblusser achter zich aansleepte. Het publiek in de foyers had de weg naar de zaal inmiddels gevonden. Haast onverschillig monteerde de toneelknecht het gevaarte in elkaar. Hij zette zich schrap en drukte de hendel in. Een plasje roestwater was alles wat er uitkwam. Niet onder de indruk van het resultaat schudde hij het apparaat en meteen was het geblakerde hokje met de schuimende inhoud gevuld. Een donderend applaus en gefluit steeg op uit de zaal. Buigend nam de man de staande ovatie in ontvangst. Zwaaiend met zijn ene hand en de reuzefles met de andere achter zich aanslepend liep hij links het toneel weer af.