De kolenlobby; Hoe Shell de order voor een kolen- vergasser verwierf

De Tweede Kamer besloot in juni tot de bouw van een conventionele poederkoolcentrale op de Maasvlakte. Anderhalf jaar eerder gaf dezelfde Kamer de voorkeur aan de milieuvriendelijkere kolenvergassingstechniek. Minister Andriessen argumenteerde dat die optie technisch onmogelijk was. Dat staat nog te bezien. De contouren doemen op van een jarenlange strijd over de kolenvergassing. Hoofdrolspelers: Shell, Texaco, twee ministers van Economische Zaken en de invloedrijke elektriciteitsproducenten verenigd in de Sep. Het dossier-Roetmop: 'Of de minister loog tegen de Kamer, of de Sep loog tegen de minister.'

In de kamer van directeur-generaal energiebeleid mr. C. Dessens van Economische Zaken hing een vijandige sfeer. Op bezoek - 14 augustus van dit jaar - was een delegatie van Texaco. De Amerikaanse oliemaatschappij stelde dat minister dr. J. E. Andriessen de Tweede Kamer diverse malen onjuist had ingelicht - in de politiek een gevoelig thema. Texaco had daardoor schade opgelopen, en eiste op dwingende, haast agressieve toon een rechtzetting van de kant van Economische Zaken. Topambtenaar Dessens stelde zich afhoudend op: tot correctie zou het departement nimmer overgaan. Een gesprek met de minister de dag erna - meer had hij niet te bieden.

De volgende dag harmonieerden de delegaties van Texaco en Economische Zaken beter, niet in de laatste plaats door de begripvolle woorden die Andriessen sprak. Texaco legde bij monde van E. Gerstbrein, Europees directeur vergassingstechnieken, andermaal haar grief op tafel: de minister had aan het parlement laten weten dat het ondanks de wens van de Kamer ' technisch niet mogelijk' was op de Maasvlakte een kolenvergassingscentrale voor de opwekking van elektriciteit te bouwen. Dit was, zo maakte Gerstbrein duidelijk, aantoonbaar onjuist: Texaco is daartoe wel degelijk in staat.

' De minister', zegt Gerstbrein nu, ' gaf in zekere zin aan dat hij het met ons eens was. Hij zegde toe een corrigerende brief aan het parlement te schrijven waarin hij zou aangeven dat wij de technologie voor een dergelijke centrale in huis hebben. Maar zo'n brief is nooit naar de Kamer verstuurd. Er zijn tot twee weken geleden wel allerlei concept-brieven aan ons voorgelegd, maar die bevatten niet de cruciale passage en zijn daarom door ons afgewezen.'

De Amerikaanse maatschappij heeft het geloof in een rechtzetting door Economische Zaken verloren. Gisteren begon ze daarom een spoedprocedure bij de rechter, in dit geval het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Texaco eist vernietiging van het ministeriele besluit op de Maasvlakte een conventionele poederkoolcentrale te bouwen. De oliemaatschappij wil de kans krijgen de door Andriessen 'uitgesloten' geachte centrale op basis van kolenvergassing te bouwen. Omdat zo'n centrale minder milieu-onvriendelijke stoffen uitstoot, ondersteunt de Stichting Natuur en Milieu de eisen van de multinational - een modern monsterverbond.

Koploper

Texaco speelt de zaak zo ongebruikelijk hoog op omdat de oliemaatschappij er jarenlang vanuit ging dat zij een fraai commercieel succes in Nederland kon behalen. De multinational ontwikkelde vanaf begin jaren zeventig een kolenvergassingsprocede voor de opwekking van elektriciteit en werd daarmee mondiaal koploper. In de jaren tachtig toonde de maatschappij in de Verenigde Staten aan dat het procede praktisch uitvoerbaar is, en rondde samen met de Nederlandse deskundigen van de KEMA en twee zuidelijke elektriciteitsproducenten de voorbereidingen af voor een commerciele centrale in het Limburgse Buggenum. De Amerikanen hadden daarmee in het moederland van Shell ('Shell-country', volgens Texaco-directeur Gerstbrein) aan het eind van de jaren tachtig een forse voorsprong opgebouwd. Maar ineens, in april vorig jaar, werd de winnende stelling van Texaco van het bord geveegd: Shell haalde de buit binnen. De Koninklijke mocht in Buggenum bouwen, en kreeg daarmee een riante uitgangspositie op de markt voor kolenvergassers.

Texaco bleef flabbergasted achter, aanvankelijk in stilte, maar die toestand veranderde vanaf jongstleden juni, toen de minister het besluit nam ook wat betreft de nieuwe elektriciteitscentrale op de Maasvlakte geen gebruik te maken van de diensten van de Amerikanen. Daarna volgde nog de poging tot compromis in augustus, maar sinds gisteren is het conflict met Economische Zaken definitief geescaleerd.

Sleutelfiguur

Een van de sleutelfiguren in de nu twintig jaar lopende discussie over kolenvergassing voor elektriciteitsopwekking is ir. B. Boerboom. Hij is directeur van de Zuidhollandse elektriciteitsproducent EZH en belast met de bouw van de nieuwe centrale op de Maasvlakte. Boerboom maakte in de jaren zeventig als eerste serieus werk van kolenvergassing. De oliecrisis van 1973 had geleerd dat de eenzijdige afhankelijkheid van olie voor de energievoorziening riskant was. Kernenergie raakte in Nederland steeds meer uit de gratie. Voor energieopwekking met kolen gold hetzelfde: de belasting van het milieu was zodanig dat in de Rijnmond zelfs kolencentrales werden gesloten. ' We moesten op zoek naar een alternatieve opwekking van elektriciteit', zegt Boerboom, in die dagen werkzaam bij het Gemeentelijk Energiebedrijf (GEB) in Rotterdam. Een interessante nieuwe techniek met kolen was in ontwikkeling: de kolenvergassing. ' In potentie een veel milieuvriendelijker techniek dan het verstoken van poederkool', zegt Boerboom. Bij kolenvergassing komen minder verzurende stoffen vrij, als zwaveldioxyde (SO) en stikstofoxyden (NOx) en ook de uitstoot van kooldioxyde (CO) is lager. (Dit is dezer dagen een belangrijk argument voor kolenvergassing in verband met de discussie over het broeikaseffect.)

Boerboom ging in 1977 met vertegenwoordigers van de KEMA om de tafel zitten teneinde een ontwerp voor een kolenvergasser te concipieren op basis van een Shell-procede. Twee jaar later haakte Shell af: ' Ze waren ubfoutief tekenerhaupt minder in kolen geinteresseerd.'

Omdat Texaco samen met het bedrijf Ruhrkohle in Duitsland bezig was met de ontwikkeling van kolenvergassing ging het Rotterdamse energiebedrijf met Texaco verder. Dit leidde in 1981 tot een ontwerp voor een kolenvergassingscentrale van 74 megawatt (de nieuwe Maasvlakte-eenheid heeft een vermogen van 600 megawatt). Het project strandde omdat niemand de benodigde 200 miljoen gulden wilde financieren. ' Zo stagneerde de ontwikkeling van kolenvergassing in Nederland.'

Een belangrijke rol speelde daarbij, zegt Boerboom, dat Texaco al het voornemen had om in 1984 in Coolwater, California, een experimentele kolenvergasser voor de opwekking van elektriciteit (vermogen 125 megawatt) te gaan bouwen. Politici en elektriciteitsbonzen meenden dat het daarom weinig zin had toen al een demonstratie-eenheid te bouwen.

In 1986 ontstond toch weer een Nederlands plan voor de toepassing van het nieuwe procede. Samen met de Noordbrabantse PNEM nam de PLEM in 1986 contact op met de KEMA en Texaco. Niet voor het laatst werd besloten een studie te verrichten naar de kans van slagen van een commerciele Texaco-kolenvergasser voor de opwekking van elektriciteit (in dit geval met een vermogen van 250 megawatt). De conclusie in voorjaar 1988 was dat er weliswaar risico's aan zo'n kolenvergasser kleefden, ' maar dat hij rendabel kon zijn en minder milieugevaarlijke stoffen uitstootte dan een conventionele poederkoolcentrale', zegt directeur ir. J. van Zanten met de hand op het vertrouwelijke rapport. Hij gaf namens de inmiddels tot EPZ gefuseerde zuidelijke elektriciteitsproducenten leiding aan het onderzoek ..

Desondanks zou ook deze conclusie niet het beoogde vervolg krijgen: een commerciele kolenvergassingseenheid op basis van het Texaco-procede werd nooit in Buggenum gebouwd.

Lobby

In 1987 pakte Shell de draad weer op en startte in Houston, Texas, met een demonstratieproject voor kolenvergassing. Een studie in opdracht van Economische Zaken wees in dat jaar uit dat de relevantie van het Texaco-procede 'zeer groot' was, terwijl dat van Shell als 'groot' werd gekenschetst. Eerder dat jaar betitelden twee KEMA-deskundigen in het tijdschrift Electrotechniek het Texaco-proces als ' het meest geeigende bij elektriciteitsopwekking'.

Shell ging nu lobbyen in Den Haag. Zo kreeg het D66-Kamerlid Dick Tommel te horen dat de multinational zich zorgen maakte: ' Shell had geen entree bij de KEMA, die wilde alleen met Texaco werken. Shell beklaagde zich daarover bij mij.' Andere Kamerleden, zoals Len Rempt van de VVD, stelden vragen aan minister Rudolf de Korte van Economische Zaken over de gebrekkige aandacht die het Shell-procede kreeg van zijn departement. ' Ik vroeg: weet EZ eigenlijk wel dat ook Shell werkt met kolenvergassing? Daar had men nauwelijks kennis van.'

Tegelijk kreeg de Sep (die de gezamenlijke elektriciteitsproducenten vertegenwoordigt) een meer dominante rol in de elektriciteitssector. Een nieuwe Elektriciteitswet was in de maak, die de Sep de verantwoordelijkheid gaf voor experimenten met technologische vernieuwingen voor de opwekking van elektriciteit. Daar anticipeerde de Sep op door een onderzoek te entameren naar, inderdaad, de commerciele toepasbaarheid van kolenvergassingsprocede.

De Sep, inmiddels onder leiding van ir. Niek Ketting, verleende de opdracht voor zijn onderzoek aan het Amsterdamse ingenieursbureau Comprimo. Dit wekte argwaan bij Texaco: Shell had op dat moment 36 procent van de aandelen van Comprimo in handen. Gerstbrein van Texaco: ' Vanaf dat moment is het voor ons in Nederland fout gegaan, ondanks onze technologische voorsprong. Onze bezwaren over de Shell-betrokkenheid bij Comprimo werden weggewuifd.'

Op basis van de - niet gepubliceerde - uitkomsten van het Comprimo-rapport concludeerde de Sep in mei 1988 dat een commerciele kolenvergassingscentrale niet verantwoord was. Gekozen werd voor een proefcentrale, te bouwen in Buggenum.

Van Zanten van de EPZ vernam dit nieuws van de televisie: ' Ik was tamelijk verrast. Wij meenden dat een commerciele installatie wel mogelijk was. We waren al met Texaco aan het onderhandelen over contracten. Maar wij hebben met de beslissing van de Sep ingestemd, omdat voor ons naast de aard van het project ook de plaats van belang was. Achteraf is het een goede ruil geweest: de Sep kreeg de proefinstallatie, wij de locatie.'

Statenjacht

Texaco was teleurgesteld, maar ging er op basis van de eigen technologische voorsprong vanuit dat de maatschappij in ieder geval de grootste kans zou maken bij de bouw van het proefproject. Toen directeur Ketting van de Sep Gerstbrein in juli 1988 uitnodigde voor een gesprek waren de verwachtingen dan ook hoog gespannen. Maar, zegt Gerstbrein, ' hij waarschuwde ons: we moesten geen contacten met de pers aangaan, geen lobby in de politiek starten als we kans wilden houden op het project in Buggenum. We hebben daarom nooit zulke contacten gehad - ook niet als erom werd gevraagd.'

Een maand later besprak Ketting gewichtiger zaken op het Statenjacht van de provincie Friesland. Aan boord waren eveneens minister De Korte, Daan Hooykaas, toenmalig president-directeur van Shell Nederland, en de Friese Commissaris Hans Wiegel (die ook president-commissaris van Sep is). ' Het weer was prachtig', zegt De Korte, die zich herinnert ' indringend gesproken te hebben over de schoonheid van het Friese landschap'.

Het huisorgaan van Shell, Shell Venster, beschreef de inhoud van de besprekingen vorig jaar anders. De vier heren filosofeerden volgens het blad 'over de energietoekomst van ons land'. Vandaar dat ' het grensverleggende project van kolenvergassing voor elektriciteitsopwekking' een van de belangrijkste thema's was - in de daaropvolgende maanden moest bepaald worden of Shell dan wel Texaco de kolenvergassingscentrale in Buggenum ging bouwen.

Via zijn woordvoerder laat Wiegel weten een aangename herinnering aan de zeiltocht te hebben. ' Het was een dag vol energie. De energiepolitiek van dit land is uitgebreid besproken, waarbij kolenvergassing een belangrijk onderwerp was. Er stond veel op het spel.'

Volgens een voormalige bestuursmedewerker van de Sep werd Ketting bij deze gelegenheid, en ook later, door de toenmalige minister aangespoord voor de Shell-technologie te kiezen: ' Ketting heeft dat enige malen in Sep-vergaderingen gezegd.' De Korte weerspreekt dit. In ieder geval kreeg opnieuw Comprimo snel na de zeiltocht de opdracht te onderzoeken welke maatschappij het meest voor de bouw van een de experimentele kolenvergassingscentrale in Buggenum in aanmerking kwam. De beslissende fase was ingegaan.

Maasvlaktecentrale

Maar eerst kwam de Tweede Kamer aan bod. Het parlement besprak op 19 januari vorig jaar het Sep-plan om op de Maasvlakte bij Rotterdam een nieuwe 600 megawatt elektriciteitscentrale te bouwen. Deze centrale moest ' een moderne poederkoolgestookte' eenheid worden. Omdat het milieu prominent op de politieke agenda was beland en zo'n poederkoolcentrale daarom verdacht was, stelde de Sep dat 'zo mogelijk' een milieuvriendelijkere kolenvergassingseenheid zou worden gebouwd. Vanaf dat moment ging de besluitvorming over Buggenum en de Maasvlakte door elkaar heen lopen. Want een kolenvergasser op de Maasvlakte werd door de Sep afhankelijk gemaakt van het succes van het proefproject in Buggenum.

De Kamer maakte een voorbehoud bij het plan van de Sep door een motie van het D66-Kamerlid Tommel. Minister De Korte kreeg daarin de opdracht de Sep aan te sporen zijn uiterste best te doen de Maasvlaktecentrale te bouwen volgens de kolenvergassingstechnologie. De Sep moest hiervoor een ' maximale inspanning' leveren. Eerder was de Kamer al morrend akkoord gegaan met nieuwe poederkoolcentrales bij de Amsterdamse Hemweg en bij Geertruidenberg. Dit milieuvervuilende type elektriciteitscentrales had afgedaan voor de politiek.

De Algemene Energie Raad, die de minister adviseert over de plannen van de elektriciteitsproducenten, merkte op dat het haar ' onwaarschijnlijk voorkwam dat bij de bouw van de nieuwe Maasvlakte-eenheid al rekening gehouden kan worden met de ervaringen van Buggenum'. De Utrechtse hoogleraar natuurwetenschappen prof. dr. W. C. Turkenburg, die deel uitmaaktvan de energieraad, zegt dat de raad destijds 'buitengewoon verbaasd' was over het voorstel van de Sep om eventueel de kolenvergassingstechniek toe te passen bij de Maasvlaktecentrale. ' Het was overduidelijk dat ze dat nooit zouden halen. Kolenvergassing op de Maasvlakte op basis van de in Buggenum ontwikkelde technologie was al uitgesloten op het moment dat het werd voorgesteld.' Turkenburg denkt dat Sep het voorstel niettemin zo inkleedde om ' er makkelijker weer een poederkoolcentrale doorheen te krijgen'.

Stom geweest

In april vorig jaar viel feitelijk het doek voor Texaco. Op basis van de tweede Comprimo-studie besloot de Sep dat het demonstratie-project in Buggenum gebouwd moest worden op basis van de Shell-technologie. Voor ingewijden kwam deze keuze als een totale verrassing. Toenmalig VVD-Kamerlid Reinier Braams: ' Wij waren vooral verbaasd omdat anderhalf jaar eerder de Sep nog nagenoeg niets van de Shell-kolenvergassingstechnologie wist. Er is een spel gespeeld, maar hoe precies weet ik niet. Dat weet de Sep.' Gerstbrein: ' Het heeft er veel van weg dat Buggenum een proefproject is geworden om Shell een kans te geven zijn achterstand in te lopen.' Weer was Texaco gepasseerd. Maar de oliemaatschappij hield zich stil onder invloed van de waarschuwing van Ketting niet in contact te treden met politiek en pers.

Texaco had zijn hoop nu gevestigd op de Maasvlakte-centrale. ' We zijn stom geweest', zegt Texaco-directeur Gerstbrein achteraf. En dat bleek toen hij op 19 juli vorig jaar een bezoek bracht aan EZH-directeur Boerboom, de man die de Maasvlaktecentrale moet bouwen. De man ook die namens de Sep de door de Tweede Kamer gevraagde 'maximale inspanning' moest leveren daar een kolenvergassingsinstallatie van te maken. Boerboom gaf Gerstbrein onomwonden te verstaan dat de nieuwe centrale een poederkooleenheid zou worden. ' Ik ging daar weg met mijn staart tussen mijn benen', zegt Gerstbrein. Ondertussen moest formeel het definitieve besluit over de centrale nog steeds genomen worden - in Den Haag.

Boerboom: ' Kolenvergassing is net Haarlemmer-olie; een middel tegen alle kwalen. Bij politici ligt het momenteel erg goed.' Hij meent dat het kolenvergassingsprocede het moet afleggen tegen de nieuwste generatie poederkoolcentrales. ' Voor mij was het geheid zeker dat er op de Maasvlakte een poederkoolcentrale moest komen. Het is dat of in het donker zitten, andere mogelijkheden zijn er nu niet. De uitkomst van de motie-Tommel stond naar mijn mening dan ook bij voorbaat vast, die was niet haalbaar.' Toen de EZH dus begin dit jaar naar de provincie Zuid-Holland ging om de vergunningen voor de nieuwe centrale aan te vragen werd in concept alleen de poederkool-variant uitgewerkt.

Inmiddels was na de regeringswisseling vorig jaar november Andriessen aangetreden als de nieuwe minister op Economische Zaken. Hij ontving in februari dit jaar een brief van Sep-directeur Ketting waarin deze schreef dat het noodzakelijk was te beginnen met de voorbereidingen voor de bouw van een poederkoolcentrale op de Maasvlakte. Volgens Ketting was het ' niet op een verantwoorde wijze mogelijk om deze te realiseren in de vorm van een kolenvergassingseenheid'. De Sep-directeur verwees naar de stand van zaken bij het proefproject in Buggenum. De Sep maakte de bouw van een kolenvergassingscentrale op de Maasvlakte afhankelijk van het welslagen van 'Buggenum' - een koppeling die de Tweede Kamer in haar motie-Tommel en de Algemene Energie Raad eerder hadden afgewezen. De raad had in zijn advies aangegeven dat kolenvergassing op de Maasvlakte eventueel ook kon op basis van 'nieuwe buitenlandse ervaringen'. Daarbij dacht de raad volgens Turkenburg bijvoorbeeld aan het Texaco-project in Coolwater, dat toen nog liep.

Minister Andriessen aarzelde. Hij had 'weliswaar begrip' voor de stellingname van de Sep, maar overtuigd was hij niet. Binnenskamers liet hij weten niet als 'roetmop' de geschiedenis in te willen gaan. Kon een besluit over de Maasvlaktecentrale niet uitgesteld worden? Andriessen zat met deze erfenis van zijn voorganger in zijn maag. Ook toen hij op 24 april een bezoek bracht aan de Maasvlakte bleek dat volgens EZH-directeur Boerboom. De minister wilde een besluit uitstellen. Boerboom: ' Maar volgens mij hebben wij hem weten te overtuigen van de relatieve voordelen van poederkoolstoken volgens de nieuwste techniek.'

Daarna ging het snel. In mei deelde Ketting de minister nogmaals mee dat ' er geen reele mogelijkheid bestaat de bouw van de koleneenheid op de Maasvlakte uit te stellen'. En op 6 juni schreef de minister aan de Kamer dat een kolenvergassingseenheid op de Maasvlakte 'uitgesloten' was. In verband met de tijdschema's van de Sep was het bovendien volgens Andriessen 'onverantwoord' de nieuwe Maasvlakte-centrale al op de kolenvergassingstechnologie te baseren. Ook stelde hij dat ' de bouw van een poederkoolgestookte eenheid onontkoombaar is'. De minister formuleerde het aanzienlijk scherper dan Ketting, die nergens schreef dat kolenvergassing op de Maasvlakte 'uitgesloten' en de poederkoolcentrale 'onontkoombaar' zou zijn.

De Kamer boog zich vervolgens in juni nog een keer over de 'brandstofinzet'op de Maasvlakte. De uitkomst was dat de Kamer met de kleinst mogelijke meerderheid akkoord ging met de bouw van een poederkoolcentrale op de Maasvlakte.

Tommel verzette zich hevig tijdens het debat. De conventionele centrale noemde hij een 'grote, vieze, zwarte vlek'. Hij was 'woedend en gekwetst' omdat ' een nieuwe kolencentrale in flagrante strijd is met het milieubeleid dat de regering zegt te willen voeren'. Op de vraag aan Andriessen van de VVD'er Piet Blaauw of de Sep conform de motie-Tommel 'een maximale inspanning' had geleverd voor kolenvergassing op de Maasvlakte verklaarde deze dat die motie 'zorgvuldig' was uitgevoerd. ' Maar hetgeen daarin is bepleit, bleek niet mogelijk te zijn', aldus de minister.

Andriessen veegde de vloer aan met het Kamerlid. ' Hoe is het nu mogelijk dat de heer Tommel zo woedend en gekwetst is als hij met die kolenvergassingseenheid zijn zin niet krijgt? Die kolenvergassing is technisch niet mogelijk.' Dat was weer een conclusie van de minister zelf. De woorden 'technisch niet mogelijk' had de Sep in het openbaar nooit gebruikt.

Wandelgangen

Texaco kreeg pas lucht van de ontwikkelingen in de politiek na de brief van 6 juni van Andriessen aan de Kamer. Het was de oliemaatschappij nu in een klap duidelijk dat behalve de Sep ook politici er niet over piekerden het Texaco-procede toe te passen op de Maasvlakte. Texaco ging nu over tot de aanval. Op 18 juni deed het bedrijf een offerte aan Ketting waarin de oliemaatschappij aanbood 'zonder enig voorbehoud' een 600 megawatt kolenvergassingscentrale te bouwen op de Maasvlakte. Texaco stelde voor niet alleen de kennis te zullen leveren maar bovendien zelf als 'risicodragende partner' in het project te kunnen deelnemen.

Texaco-medewerkers vertoonden zich nu in de wandelgangen van de Tweede Kamer en benaderden de afgevaardigden met hun brief aan Ketting. Het offensief kwam hopeloos laat. Tommel: ' Ik was verbaasd over het tijdstip waarop ze met hun bezwaren kwamen. Ze waren veel te laat. Bovendien waren ze erg agressief; niet de stijl waarop we in Nederland werken.' Dat vindt ook CDA-Kamerlid Mieke Boers-Wijnberg: ' Ik had de indruk dat die lui van Texaco enorm onder druk van de concernleiding stonden. Ze waren erg fel.'

Tommel heeft de offerte van Texaco overigens toch in de Kamer gememoreerd: ' Wellicht is deze firma ervoor te vinden om voor eigen risico en rekening een dergelijke centrale te bouwen.' Maar Andriessen vond dat 'al te ver gaan'.

De offerte van Texaco leverde maar een directe reactie op: Sep-directeur Ketting belde direct na ontvangst van de brief naar de oliemaatschappij. ' Hij was razend', zegt Texaco-jurist mr. A. de Graaff. ' Hij kondigde aan nooit meer zaken met ons te doen.' De oliemaatschappij ontving eind juli ook een schriftelijke afwijzing van Ketting. Volgens Texaco was de minister door de Sep 'onjuist geinformeerd' toen hij stelde dat kolenvergassing 'uitgesloten' is op de Maasvlakte. Ketting stelde daarentegen dat zijn voorlichting aan de minister 'volkomen correct' was geweest. ' Bij aandachtige lezing van onze brieven zult u vaststellen dat zij niet een mededeling bevatten als welke u ons aanwrijft.' Hij was niet degene die onjuiste informatie verstrekte.

Ketting legde het probleem neer bij wie het vandaan kwam. Andriessen toonde zich tegenover Texaco bereid op 15 augustus een min of meer corrigerende brief aan het parlement te sturen. Op het moment dat hij dat deed probeerde topambtenaar Dessens zijn minister met discreet voetenwerk onder tafel hiervan af te houden. Dat is hem niet gelukt.

Voor het D66-Kamerlid Tommel is de besluitvorming over de Maasvlakte niet afgedaan. Nog altijd koestert hij de hoop op een of andere manier te voorkomen dat het zwarte vieze ding bij Rotterdam verrijst. Inmiddels betwijfelt hij het waarheidsgehalte van de mededelingen van de Sep en van ex-minister De Korte. ' Als ik hoor wat Boerboom zegt, dat op voorhand vaststond dat mijn motie niet zou worden uitgevoerd, dan zijn er twee mogelijkheden: of de Sep loog tegen de minister, of de minister loog tegen de Kamer.'. Na lezing van deze uitspraak liet Van Zanten weten dat deze correct was weergegeven. Later bevestigde hij dit nog eens. Niettemin meldde Van Zanten in laatste instantie dat hij weliswaar juist was geciteerd, maar dat hij zich vergist had: het rapport leidde PLEM tot de conclusie dat de ' risico's, zowel in technisch als financieel opzicht te groot zouden zijn' om een commerciele vergassingseenheid te bouwen.

NB. Shell en de heren Andriessen en Ketting lieten weten niet te kunnen of willen ingaan op het verzoek met NRC Handelsblad over de beschreven onderwerpen te spreken.