Chase Manhattan

Herinnert u zich nog de achtervolging in Bullitt? Dikke Amerikaanse auto's die springend en op de grond klappend de down town-straten van San Francisco nemen die naar boven voeren, dwars over de platte stukken gevormd door horizontale zijstraten.

Ik zag hem laatst weer en er is niets meer aan. Sterker nog, de hele film stelt niets voor. Als er iets is bijgeleerd sinds die tijd is het wel 'car chases', die zich toch, gezien het genoemde voorbeeld, in een grote belangstelling mochten verheugen, maar kennelijk in de laatste twintig jaar (Bullitt was van 1968) nog enorme vooruitgang hebben geboekt - terwijl de auto's in het geheel niet groter of sneller zijn geworden, maar het camerawerk des te meer.

Toch komt er nu, na al die jaren, een verandering in zicht. Auto's achter elkaar aan: wij hebben het wel gezien, net als het stereotype einde-op-het-dak, in-de-oude-fabriek of een mengsel van deze twee, op-de-steigers-van-de-wolkenkrabber-in-aanbouw.

Natuurlijk begrijp ik waarom dergelijke einden de filmmaker zo goed uitkomen. Zij sturen onmiskenbaar af op een eenzame confrontatie van de held en de schurk. Zijn er vier schurken en een hoofdman, dan gaan de side-kicks er het eerste aan, daarna wordt de held in het been of de arm gestoken c.q. geschoten en weet hij middels een schaarbeweging (vergelijk ook 'de vliegende schaar' van Dick Bos) of het trappen tegen een schakelaar of het in werking stellen van de lopende band de schurk in een hachelijke positie te dwingen. Eenzaam, want hierbij kunnen wij geen voorbijgangers, spelende kinderen of in de weg lopende heldinnen gebruiken. Nee, het moet de ultieme strijd worden van man tegen man, maar meestal zit ik bij het opdoemen van de trap al te gapen. Ik word plaatsvervangend moe van al dat rennen en ik weet al dat de held zijn revolver gaat verliezen juist op het moment dat hij hem zo hard nodig heeft. Meestal valt de revolver niet eens echt ver, vrijwel binnen handbereik, het scheelt maar een postzegel, maar toch, onze uitgeputte Jan Stavast kan er net niet bij en moet nu naar andere middelen gaan omzien, hoe moe, gewond en nat hij ook is, terwijl de tegenstrever net een vers magazijn vol .57 kogels in zijn automatische wapen heeft gedrukt. Maar ja, kom er maar eens om, bedenk zelf maar eens een nieuw einde. Het valt echt niet mee.

Trouwens, ook aan het begin van de film liggen voetangels en klemmen.

Zo moet de kijker in de film Presumed Innocent, met in de hoofdrol Harrison Ford, gewend worden gemaakt met de idee dat het leven van de hoofdpersoon, een Amerikaanse officier van justitie, lieflijk voortkabbelt op een zo alledaags mogelijke manier. Moeder thuis, de kinderen naar school, 's avonds met zijn allen rond de tafel, een gelukkig doodnormaal gezinnetje kortom. Het stoort wel een beetje dat Harrison dezelfde vrouw heeft als Bruce Willis in Die Harder, maar dat hoef je niet te weten.

Zo'n expose kost tijd. Alledaagsheid, het woord zegt het al, kun je niet in anderhalve minuut neerzetten. Je kunt ook niet in een razend tempo lieflijke beelden laten zien van serene suburban rust. Dat is met elkaar in tegenspraak. Chases mogen snel, serene rust moet langzaam, het is niet anders. Maar het is wel tijdrovend en voor de kijker vaak slaapverwekkend. Toch moet hij juist in die slaap gewiegd worden, want de idylle wordt natuurlijk ineens ruw verstoord. Kleine aanwijzingen in die richting mogen niet te nadrukkelijk zijn, maar moeten als het ware begraven worden tussen de andere beelden, beelden nogmaals van alledaagsheid, van een saai, gelukkig leven. En dat is juist niet het leven waarvoor wij naar de bioscoop gaan.

De gemiddelde bioscoopbezoeker heeft al driehonderd films op de televisie gezien en weet waarnaar hij moet kijken, op welke dingetjes hij moet letten in de strijd tegen de regisseur, die als een goochelaar onze aandacht wil afleiden van zijn linkerhand, terwijl de geoefende goochelkijker juist de hele tijd naar die linkerhand zit te loeren. Een enorme opgave.

Zo weet ik op een haar dat als het keukenhulpje in haar vrije tijd aan boogschieten doet en ik haar boog ook op haar zonnige kamertje heb zien hangen, er gegarandeerd booggeschoten zal worden in een van de laatste scenes, tenzij de regisseur mij willens en wetens op een dwaalspoor heeft willen brengen - maar ook dat kost kostbare tijd en wij hebben niet de hele avond. Om half tien komt de nieuwe ploeg.

Men kan dus het schrijven van een filmscenario in hetzelfde kader plaatsen als waarin de hoofdpersoon zich bevindt: de scenarist is in een eenzame strijd gewikkeld met de duizenden kijkers, die hij zowel om de tuin moet leiden als boeien, liefst tot het einde van de film, op een onderhoudende manier, opdat wij de volgende keer weer komen.

' Hoe was die film eigenlijk?'

' Ja, wel aardig.'