Bridge

Wat is de beste manier om de krachtsverhoudingen binnen een veld van paren te bepalen? Nog niet eens zo heel lang geleden vormde de klassieke parenwedstrijd het standaardantwoord op die vraag. Ongeacht het speelschema van zo'n parenwedstrijd afhankelijk van de omvang van het veld kunnen sterk verschillende schema's worden toegepast is de essentie van een parenwedstrijd dat per spel de verschillende scores in een rangorde worden gezet en dat de plaats in die rangorde de wedstrijdscore op dat spel oplevert. Een simpel voorbeeld. In een veld van 20 paren spelen 9 NZ-paren allemaal een deelscore in een lage kleur, maken 9 slagen en noteren +110 punten. Het 10e paar speelt en maakt 2 SA en noteert +120. Het verschil in scorepunten met de andere scores bedraagt dus slechts 10 punten. In een viertallenwedstrijd levert dit geringe verschil geen score op; pas een verschil van minimaal 20 scorepunten wordt beloond met zegge en schrijve een enkele imp (international matchpoint). In een parenwedstrijd gebeurt iets heel anders. Het NZ-paar van het SA-contract krijgt in de rangorde de 1ste plaats en dientengevolge een score van 100%, de zogenaamde 'zaaltop'. En omgekeerd krijgt het ongelukkige OW-paar dat -120 moest incasseren, nul %, oftewel de 'zaalnul'. De overige NZ-paren moeten de 2e t/m 10e plaats delen en scoren dus allemaal een beetje onder de 50%; de OW-paren behalen omgekeerd een beetje boven de 50%.

Had het 10e NZ in plaats van +120 een geweldig resultaat op dit spel geboekt door bij voorbeeld de tegenpartij 1100 punten down te spelen, dan zou dit resultaat geen enkel ander effect op de parenscore op dit spel hebben gehad: NZ ontvangen nog steeds een 100% score en de overige NZ-paren blijven een beetje onder de 50% steken. Het is alleen het relatieve verschil dat telt, en je neemt voor een enkel overslagje graag grote risico's en als het even kan, probeer je SA te spelen in de hoop dat je dan evenveel slagen maakt als de concurrentie die in kleurcontracten zit, waardoor je precies 10 of 30 punten meer kunt noteren en een topscore op zo'n spel behaalt.

Het is ook duidelijk dat de geluksfactor hierdoor toeneemt, en dat maakt de parenwedstrijd niet tot een ideale graadmeter van krachtsverhoudingen. Zo'n 20 jaar geleden is hiervoor een slimme oplossing gevonden: de Butlermethode van scoren. Deze houdt in dat per spel de gemiddelde score wordt bepaald en dat vervolgens iedere individuele score hiermee wordt vergeleken en het verschil in imps wordt bepaald. In ons voorbeeld is de gemiddelde score (afgerond op tientallen) +110 voor NZ. De vergelijking levert dan in 9 gevallen 0 punten en dus 0 imps op, en in het 10e geval +10, maar nog steeds 0 imps. De Butler-methode komt er dus op neer dat je 'viertallenbridge' moet spelen. Er zit wel wat meer aan vast, maar het zal duidelijk zijn dat een parenwedstrijd volgens de Butler-methode eerder de bokken van de schapen zal scheiden dan de klassieke parenwedstrijd.

Waarom deze uiteenzetting? Om het belang te verklaren dat binnen de Nederlandse bridgewereld wordt gehecht aan het initiatief dat de Nederlandse Bridge-Bond en zijn nieuwe sponsor Koning en Hartman hebben genomen om het Nederlandse Butlerkampioenschap in te stellen. Afgelopen zaterdag werd in Groningen het tweede van de 8 toernooien verspeeld die tezamen het K en H-Bridgecircuit vormen en na het laatste toernooi de Butlerkampioen 1990/91 opleveren. Om de geinviteerde Nederlandse top en subtop te prikkelen, nodigde de NBB ook vier Poolse paren uit, en wel ja, Ohrysko-Kwiecinski legden meteen en overtuigend beslag op de eerste prijs. Au!

Kwiecinski demonstreerde hoe je de 'Moysian-fit' moet behandelen:

(Schoppen) V 9 5

(Harten) B

(Ruiten) A 10 7 5 3

(Klaver) A V 6 4

(Schoppen) 10 4 2

(Harten) H 6 3

(Ruiten) 9 8 2

(Klaver) H 10 3 2

(Schoppen) A 8 6

(Harten) V 10 9 5 4 2

(Ruiten) 6 4

(Klaver) B 7

(Schoppen) H B 7 3

(Harten) A 8 7

(Ruiten) H V B

(Klaver) 9 8 5

Ohrysko opende met 1 (Ruiten), O volgde superlicht met 1 (Harten) en Kwiecinski bood 1 (Schoppen) (let op: geen negatief doublet!). Na W's 2 (Harten) toonde N's doublet 3-kaart steun (vermoedelijk met een tophonneur) in (Schoppen). Z probeerde voor 3 SA met 3 (Harten) een dekking aan te geven, maar met 3 (Schoppen) liet N horen daar geen belangstelling voor te hebben. Wetend dat hij in de lastige 4-3-troeffit, de Moysian-fit, terecht was gekomen, gaf Z toch de vierde (Schoppen). W startte met (Harten) en Z wist natuurlijk niet wat wij zien: de (Schoppen)-kleur gedraagt zich keurig en (Klaver) H zit tegen de verwachting in goed. Kwiecinski wilde zich kansen geven als de (Schoppen)'s 4-2 zitten en O (Klaver) H bezit. Hij speelde daarom op O's (Harten) V vlot een kleine (Harten) bij! Dat is een goede manoeuvre omdat de leider zo de kontrole over de (Harten)-kleur houdt. Hij kan (Harten)-naspel op tafel troeven en dan van slag gaan zonder de (Harten)-aanval te hoeven vrezen nu hij zijn (Harten) A heeft gespaard. Zelfs een 4-2-zitsel in troef kan hij nu baas. Nu de troeven 3-3 zaten, was er helemaal geen vuiltje meer aan de lucht. Een tweede Pools paar, Brudka-Kowalski, eindigde op de 5e plaats en daartussenin treffen we de Groningers Jansen-Westerhof (101 imps), Van Oppen-Rebattu (97) en Jialal-Meershoek (79) aan. De Poolse paren scoorden respectievelijk 111 en 75 imps. Na twee toernooien staan Hans en Mariemme van der Haar bovenaan met 50 toernooipunten, gevolgd door Jailal-Meershoek (43), Leufkens-Westra, die in Groningen niet van de partij waren, de Poolse winnaars en Ottevanger-Schuurmans (allen 40).

Lichte openingen en volgbiedingen zijn tegenwoordig helemaal in. Ze hebben ook hun schaduwzijden:

(Schoppen) V 9 7 3

(Harten) H B 10 9 2

(Ruiten) H 10 6 2

(Klaver)

(Schoppen) 10 5

(Harten) 8 6 5

(Ruiten) A 7

(Klaver) B 9 8 7 5 3

(Schoppen) H 6 4

(Harten) A V

(Ruiten) B 9 8 5 4

(Klaver) V 6 4

(Schoppen) A B 8 2

(Harten) 7 4 3

(Ruiten) V 3

(Klaver) A H 10 2

N paste en O bood een zwakke SA (12-14), waarna Z, Dennis Ottevanger, in 4 (Schoppen) belandde. W kwam met (Ruiten) A uit, een onthullende kaart, want Z wist meteen dat alle andere plaatjes bij O moesten zitten. W kan beter met (Klaver) beginnen. Z won het (Ruiten)-naspel met (Ruiten) V, troefde een (Klaver), sneed met (Schoppen) B, sloeg (Schoppen) A, incasseerde (Klaver) A-H en troefde (Klaver) 10. O troefde terecht niet over, maar nu volgden (Ruiten) H, (Ruiten) getroefd in Z en (Schoppen) na. Nu moest O wel nemen, maar had hierna alleen nog (Harten) A-V in handen. Zo werd (Harten) H Ottevangers 10e slag. Hij verdiende er 11 imps mee, wat erop duidt dat de overige paren niet vaak een manche hadden geboden of gemaakt.