Wat wij zien en horen

Het vorige weekend had onze papa een lezing in Monster, dat is een dorp aan de kust, ongeveer twintig kilometer onder Den Haag. (Dus niet in Schotland bij een meer!) De bibliotheek bestond er tien jaar en daarom hadden ze een schrijver uitgenodigd. Wij mogen vaak mee en we kennen zo langzamerhand al die verhalen uit ons hoofd. Op een keer hebben we bij zo'n lezing iets grappigs uitgehaald. Of eigenlijk was het geen grap, het gebeurde zomaar vanzelf. We hadden er niet eens van te voren met elkaar over gesproken. Onze papa staat meestal achter een lessenaar, want hij wil nooit zitten als hij voorleest. Dan kijkt hij een paar keer de zaal in tot het gepraat en gestommel ophoudt en zegt de titel van het verhaal. 'Het Tillenbeest'. Dan wacht hij even. En toen gebeurde het. We zeiden allebei tegelijk de eerste zin. 'Zelden bezoek ik nog de ouderlijke woning.' En het klonk nogal melig en dreinerig, maar dat deden we niet expres maar omdat we het zo goed kennen. De hele zaal begon te gieren van het lachen en onze papa stond eerst even verwonderd te kijken en toen lachte hij gelukkig ook. Hij zei: 'Ja, dames en heren, ik kom uit een gezin van elf kinderen. Mijn vader had nog wel tot schrijven kunnen komen, maar lezingen zouden met dat elftal niet mogelijk zijn geweest. Trouwens, mijn vader las ieder jaar opnieuw de Bijbel voor en gesteld dat ik, als hij het boek der boeken weer vooraan opengeslagen had en even streng rondgekeken of we met eerbiedige gespitste oortjes aan onze stoel gekluisterd zaten, drenzerig had gezegd, 'In den beginne schiep God den hemel en de aarde.', dan had ik beslist mijn verdere leven als Stephen Hawking kunnen doorbrengen.'

'Het Tillenbeest' is een eng verhaal dat onze papa echt zo heeft meegemaakt. In de Tweede Wereldoorlog ging hij op een sombere herfstdag een verlaten kasteel in en vond in een van de zalen een stenen sfinx die hij meenam. Toen hij door het bos om het kasteel liep wilde hij het zware beeld ergens tussen het struikgewas verbergen om het 's avonds achterop de fiets op te halen. Toen hij een kuil zag vol dorre bladeren gooide hij daar de sfinx in en toen spatten de drollen om en op zijn gezicht en kleren. Hij zegt dat het net een giertank was die uit de aarde omhoogschoot en spoot. Die kuil was maandenlang als plee gebruikt door de Duitse soldaten die in het kasteel gelegerd waren geweest. En toen de stinkende blubber weer terugzakte zag hij even het gezicht van het dooie lijk van zijn zuster, helemaal vergaan. Maar die zuster heeft hij erbij verzonnen, want hij zei, 'Die leeft nu gelukkig nog. Dat is jullie lieve tante Margot. En die heeft een heel charmant wipneusje en dat weerzinwekkende kadaver had een hele rechte neus als een Griekse godin. Ja, precies zoals de sfinx eigenlijk. Nu ik eraan terugdenk moet het beslist haar tweelingzuster geweest zijn die daar in de helse drek op haar wachtte.'