Voetnoten bij Huizinga

'Is 't erg vanuit een ivoren toren geschreven?', vroeg iemand aan wie ik vertelde dat ik het tweede deel van Huizinga's Briefwisseling aan het lezen was (dat verleden zaterdag in deze krant besproken werd door Bastiaan Bommelje).

Nee, helemaal niet, was mijn antwoord op die vraag. De grote Huizinga, die al op z'n vijftigste voor half Nederland het toppunt van geleerdheid en wijsheid was, treedt in deze correspondentie eerder naar voren als een huiselijk man, die zich ook bezighoudt met zulke beslommeringen als het zakgeld van zijn kinderen.

Ook blijkt hij niet de afgetrokken weduwnaar en afstandelijke vader die ik me herinner van Leonard Huizinga's Herinneringen aan mijn vader. Hij maakt wandeltochten met ze, schrijft ze lange brieven en zet toneelstukjes voor ze in elkaar. Toegegeven: het een sluit het ander niet uit. Maar een ivoren toren? Nee.

Ook ontmoet en correspondeert hij met talloze mensen. Hij zit per slot van rekening in de redactie van De Gids en in vele commissies. Weliswaar lijkt het wereldgebeuren aan hem voorbij te gaan - hij zinspeelt er althans nauwelijks op in zijn brieven -, maar was dat zo ongewoon in het neutrale en zelfgenoegzame Nederland van 1925 tot 1933 (de jaren die dit deel bestrijkt)?

Zijn zorg betreft eerder 'de ijdelheid en oppervlakkigheid van onze tijd van verval', zoals hij in december 1927 aan Martinus Nijhoff schrijft. Lang voor 1935, wanneer het gelijknamige boek zal verschijnen, leeft hij dus al In de schaduwen van morgen, die op dat ogenblik (1927) nog weinig met opkomend fascisme te maken hebben.

Een andere voorafschaduwing vinden we in dezelfde brief wanneer hij schrijft: 'Bourgeois zijn wij allen, met name in ons brave vaderland, van den baron tot den proletarier en van den dichter tot den notaris.' Bijna woordelijk dezelfde zin vinden we terug in Nederland's geestesmerk, dat eveneens van 1935 dateert. Hield hij boek van dergelijke vondsten of bleven ze jarenlang in zijn hoofd opgeslagen?

Zoals het eerste, bevat ook dit deel meer brieven aan dan van Huizinga. Dat komt doordat er van de laatste heel veel is verloren gegaan. Maar de lezer kan zich uit brieven niet alleen een beeld vormen van de schrijver, maar soms ook van de geadresseerde, en dat is hier vaak het geval.

De trouwste briefschrijvers zijn, zoals ze ook waren in deel I, het echtpaar Roland Holst-van der Schalk en Huizinga's boezemvriend Andre Jolles. De brieven van de eersten zijn het interessantst omdat ze een tijdsbeeld geven van Nederland. Jolles woont al jaren in Duitsland. Hij is amusant, maar maakt de indruk een geniale dilettant te zijn. Zijn bekering tot het nationaal-socialisme - maar die komt pas in 1933 - is dus niet zo verrassend.

Tot het tijdsbeeld behoort een opmerking die Richard ('Rik') Roland Holst over het gezelschap van zijn vrouw, Henriette, maakt. Zij is actief communiste (wat overigens geen afbreuk doet aan de relatie met haar man noch aan haar vriendschap met de conservatieve Huizinga), en hij maakt zich zorgen over de tol die de eindeloze ruzies onder de communisten van haar eisen:

't Maakt mij verdrietig tot op den grond van mijn hart als ik zie hoe al dat gedoe, al die ruzie tusschen wat jodenjongens - meer is het in Holland toch niet - haar kracht, haar concentratie en haar physieke rust bovendien, aanrandt.'

'Jodenjongens' - die uitdrukking gold toen (1925) niet als uitdrukking van antisemitisme. Roland Holst zou hoogst verbaasd - en waarschijnlijk verontwaardigd - zijn geweest als hij voor antisemiet zou zijn uitgemaakt.

Van een man als Huizinga zouden we kunnen verwachten dat hij met afkeer naar het 'cultuurloze' Amerika keek. Integendeel, hij was erdoor gefascineerd - dat was op zichzelf al uitzonderlijk voor een Europese intellectueel -, al voor zijn reis ernaar toe (1926). En hoewel hij ambivalente gevoelens had, schreef hij een jaar later dat hij 'een sterke lust' had er weer te zijn.

Hoe verschillend is dat van de hovaardij jegens Amerika die nog lang na de oorlog in intellectuele kring de bon ton was en die in het begin van de jaren vijftig een Amerikaanse hoogleraar, na een jaar in Leiden, ertoe bracht in een maandblad een artikel te schrijven onder de veelzeggende titel: 'What drove me crazy in Europe'. Huizinga was toen helaas al dood.

Zoals gezegd: veel van Huizinga's brieven zijn verdwenen. Maar soms citeren zijn correspondenten uit een eerdere brief van hem, zoals deze passage uit een brief van november 1924 (Huizinga was toen bijna 52 jaar), waaraan Andre Jolles Huizinga een klein jaar later herinnert:

't Is eigenlijk gek: andere 'geleerden' hebben hoopen problemen, die zij branden van verlangen om te onderzoeken. Ik eigenlijk niet. Er is niets wat mij onmiddellijk ocupeert; zelfs die min of meer visionaire 'hantises'.

het verleden uit jonger jaren blijven weg, en wat ik zou willen uitdrukken wordt hoe langer hoe vager, en ligt nauwelijks meer op het gebied van historie of eenige andere wetenschap.'

Wat een zelfkennis! Zette hij daarom 'geleerden' tussen aanhalingstekens? We zouden bijna geneigd zijn Huizinga eerder een artiest te noemen, ware het niet dat hij, alweer in die brief aan Nijhoff, schrijft: 'De artiste is het meest vooze cultuurideaal, dat de wereld gekend heeft. In ons land, door Tachtig in zijn aard gefausseerd en vervuld met humbug en 'gespreitztheit' (= bombast - J. L. H.), is het nog belachelijker dan elders.'

Ten slotte: wie kent de (oorsprong van de) uitdrukking 'Havelmietje den Dweil'? Zij behoort (behoorde?), volgens Andre Jolles, tot de 'schoone Dortsche taal' en drukt een toestand van desorientatie uit: 'Het lukt mij in geen enkel opzicht, mijn leven in het kalme vaarwater te sturen, waarin ik het gaarne zou hebben. Het hangt alles van zonderlinge avonturen en malle verlangens aan elkaar.' Misschien wisten Buddingh' en K. L. Poll het antwoord op mijn vraag, maar die zijn ook helaas dood.

Dit zijn een paar losse kanttekeningen, eigenlijk meer voetnoten, bij Huizinga's Briefwisseling, deel II, en dan nog maar bij een gedeelte ervan, want ik ben nog niet eens halverwege dat deel. Zij kunnen dan ook allerminst beschouwd worden als een oordeel erover. Dat is trouwens in deze krant al gegeven, maar omdat die briefwisseling als bron onuitputtelijk is, is deze methode misschien gerechtvaardigd. P. S. De onvolprezen bewerkers van de Briefwisseling vertalen, ook in dit deel, tentatio met bekoring. Dat is niet verkeerd, maar verzoeking zou toch meer in de geest van de protestant Huizinga zijn geweest.

    • J. L. Heldring