Vier op een perron

'Eigenlijk ben ik een dichter, in diepste wezen', zei Nico Scheepmaker (1930-1990).

Zijn verzameld proza heeft naar schatting vier keer de omvang van de Heilige Schrift. Toch had hij al die miljoenen woorden graag ongeschreven willen laten in ruil voor een vers van de kwaliteit van Martin Nijhoffs Het kind en ik. Maurits Mok situeerde Scheepmakers gedichten ergens tussen Piet Paaltjes en Hans Lodeizen, niet in de Erehemel, dus, maar in elk geval in het voorportaal van de Erehemel. Niettemin is Scheepmaker bij leven en welzijn nooit voor de jaarlijkse Nacht van de Poezie uitgenodigd. Zijn verzen rijmen, hetgeen de keurmeesters in het land der letteren als een doodzonde beschouwen. 'Dat kan nooit poezie zijn', zo zei ook Nico Scheepmaker ironisch, verzensmid te Broek in Waterland.

Omdat ik ooit iets aardigs voor hem had gedaan stuurde hij mij 'om iets terug te doen' een paar jaar geleden een machinegeschreven exemplaar van zijn gedicht Vier op een perron. Het luidt als volgt: '(1) Een dichter die gewoon is na afloop van 't ontbijt (2) de bossen in te gaan, waar 't leven nog welluidend (3) zich schrap zet tegen stads- en radiolaweit, (4) staat kniediep in de sneeuw en zegt met lichte spijt: (5) wat is het omo-wit en stil en onbeduidend. (6) Ach, wat geen enkle van mijn dromen had verwacht (7) krijgt hier zijn eigen vorm in een reclamespot. (8) Spreek mij vandaag niet meer van nachten doorgebracht (9) in bos en hei, de sneeuw een zachte schapevacht, (10) want dat is nu geschrapt, door regisseuze God. (11) O Heer, het wordt nu tijd wellicht u aan te roepen: (12) het is zo jammer dat je 't leven leven moet. (13) Terwijl wij in ordentelijke groepen (14) gelijk Van Gogh ons laatste oor versnoepen, (15) doet Gij u aans ons stervensuur te goed. (16) Ik schrijf, de snelle woorden gaan hun gang (17) in deze koele winterzonneschijn. (18) De dood is kort, gaat dwars door het behang, (19) en van de dichter, omo-wit en bang, (20) zal morgen reeds alles vergeten zijn.'

Met dit gedicht is iets mysterieus aan de hand. Om te beginnen is het tamelijk slecht, in elk geval onder Scheepmakers niveau, om het even of je hem als een gelegenheidsdichter of als een Olympische titaan beschouwt. Het vers mist Scheepmakers aardse klaarheid, om de eenvoudige reden dat het vele vaders kent. Tien van de twintig regels zijn door Scheepmaker bedacht. De ander tien regels zijn ontleend aan Piet Paaltjes, Karel Bralleput, E. du Perron en Jan Greshoff. Paaltjes schreef de regels 1 en 6. Bralleput schreef de regels 5, 12 en 16. Du Perron schreef de regels 8, 11, 18 en 20. Greshoff schreef de regel no. 17. Dit is geen filologische wijneuzerij mijnerzijds; het was Scheepmaker zelf die het mij vertelde, tijdens een autorit van een vernissage te Gouda (ZH) naar een persconferentie in Haarlem (NH). Het vers Vier op een perron was inmiddels in de bundel 'Hoppers Holland' gepubliceerd en de dichter-compilator was hoogst geamuseerd over het feit dat geen mens, laat staan een criticus, had ontdekt hoe kunstig hij, Scheepmaker, tegen zijn klassieke collega's had aangeleund.

Er zijn van de bundel zo'n twintigtal recensies verschenen. Andermaal waren de de reacties gemengd. De ene criticus oordeelde mild tot vriendelijk. De andere criticus vond het allemaal maar niks. Gabriel Smit (De Volkskrant) prees de dichter als 'een helder, open talent', met 'een spitse vaardigheid en vooral ook een wijze zelfkennis', al was hij onmiskenbaar 'geen dichterlijk genie'. Wam de Moor (De Tijd) noemde hem 'een simpel dichter', die 'soms geleuter voor geestigheid houdt'. Hans van Straten (Utrechts Nieuwsblad) wees op het feit dat Scheepmaker erin was geslaagd 'het onuitsprekelijke in klare regels op het papier te krijgen'. Een anonymus in het dagblad Tubantia vond het slechts 'slechte versjes', 'typische voortbrengselen van een drukbezette journalist'. Het was allemaal enigszins waar, zowel de oordelen ten positieve als de oordelen ten negatieve. Maar niemand, absoluut niemand van al die professionele verzenkneders had door dat het gedicht Vier op een perron in feite een test van hun vakbekwaamheid en belezenheid was.

De cabaretier-neerlandicus Ivo de Wijs is bezig, hoor ik tot mijn genoegen, een vuistdikke selectie uit Scheepmakers poetische oeuvre samen te stellen. Daarin mag, lijkt mij, het gedicht Vier op een perron niet ontbreken. Door een deftige voetnoot toegelicht, die Scheepmakers bezorger bij deze, gratis en voor niks, krijgt aangereikt.

    • Martin van Amerongen