Thatcher laat recessie achter

ROTTERDAM, 23 nov. - Groot-Brittannie was in haar eigen woorden 'platzak, failliet' toen Margaret Thatcher (65) in mei 1979 premier werd. Nu zij na ruim elf jaar regeren opstapt, staat het land er wederom slecht voor: de economie krimpt, de inflatie bedraagt bijna elf procent, de lopende rekening vertoont een flink tekort en een hoge rente van veertien procent kwelt menig huiseigenaar. Werkgevers zijn blijkens een enquete weer even pessimistisch als begin jaren tachtig en het aantal faillissementen is sinds tien jaar niet meer zo hoog geweest.

Toch zal de regeringsperiode van Thatcher zeker niet de economische geschiedenis ingaan als een onbetekenend intermezzo. Met haar aanbidding van de vrije markt zette ze een belangrijk deel van de Britse economie op de kop.

Ze drong de rol van de overheid terug door tweederde van de staatsbedrijven te privatiseren en zo de nationalisering van de Labour-partij uit de jaren 1945-1951 terug te draaien. BP beet in 1979 de spits af. Onder meer British Aerospace, British Telecom, British Airways, British Gas, British Steel, Jaguar en volgende maand de electriciteitebedrijven volgden. Op die manier kwamen een kleine miljoen ambtenaren in de particuliere sector terecht. Privatisering van British Coal en de spoorwegen stond nog op het verlanglijstje van Thatcher.

Snijdend in de overheidsuitgaven en geholpen door de inkomsten uit de oliewinning op de Noordzee en de verkoop van staatsbedrijven, slaagde Thatcher er in het overheidstekort weg te werken. Dat betekende dat de Staat minder hoefde te lenen en dus minder dominant werd op de kapitaalmarkt. Bovendien bood dit beleid de ruimte voor de halvering van het toptarief van de inkomstenbelasting van 83 naar 40 procent en voor verlaging van de belasting op vermogenswinsten.

Ze schafte ook een groot aantal wettelijke regelingen af, waaronder de beperking van de kredietexpansie door banken. Daardoor nam de kredietverlening snel toe, vooral ten behoeve van de koop van huizen die nog eens extra werd gestimuleerd met de verkoop van een groot aantal woonhuizen in staatsbezit.

Het aantal Britten dat een eigen huis bezit steeg van ongeveer de helft aan het begin van haar bewind naar tweederde dit jaar, een extra vraag die de huizenprijzen in de periode 1982-1988 met 87 procent opdreef. De waarde van het particulier huizenbezit bedraagt nu ongeveer duizend miljard pond, waartegenover driehonderd miljard pond aan hypotheken staat. Het zijn de huizenbezitters die nu getroffen worden door de hoge rentestand.

In de eerste helft van de jaren tachtig gaf Thatcher de hoogste prioriteit aan de bestrijding van de inflatie. Om de geldgroei te temperen liet ze daarom de rente tot zeventien procent oplopen, hoewel dat het lenen van geld voor het bedrijfsleven duurder maakte op een moment dat de bedrijvigheid toch al terugliep, mede als gevolg van de oliecrisis die kort na haar aantreden in 1979 uitbrak. Halverwege 1979 draaide nog de helft van de Britse bedrijven op volle toeren, ruim een jaar later was dat nog maar vijftien procent.

De economie slonk gecorrigeerd voor inflatie in de jaren 1980-1981 achtereenvolgens twee en een procent. Het aantal werklozen steeg van 1,04 miljoen in november 1979 tot een top van 3,12 miljoen juli 1986. Maar Thatcher bereikte de gewenste prijsstabiliteit: de inflatie daalde van 18 procent in 1979 tot 2,4 procent in juli 1986.

De hoge werkloosheid hielp Thatcher bij haar strijd tegen de vakbonden. Deze hadden in de winter van 1978 op 1979 het land lamgelegd en daarmee onbedoeld bijgedragen aan de verkiezingsoverwinning van de Conservatieven. Met oplopende werkloosheid werden stakingen minder aantrekkelijk omdat de dreiging van ontslag zeer reel was. In 1985 capituleerde de machtige mijnwerkersbond na een jaar staken. Thatcher wist in de jaren tachtig de rol van de vakbonden aanzienlijk terug te dringen. Gingen in 1979 nog 29,5 miljoen werkdagen door stakingen verloren, in 1988 waren dat er nog maar 3,7 miljoen. Het aantal vakbondsleden daalde van een hoogtepunt van 12,2 miljoen in 1979 naar 8,4 miljoen dit jaar.

Naast het huizenbezit stimuleerde Thatcher ook het bezit van aandelen, vooral die van voormalige staatsbedrijven. In 1979 beschikte slechts zeven procent van de 57 miljoen Britten over aandelen, tegenwoordig is dat twintig procent. Daarmee zijn meer Britten aandeelhouder (ruim 11 miljoen) dan vakbondslid.

In de jaren 1985 tot 1988 plukte de regering-Thatcher de vruchten van het beleid. Het aantal bedrijven dat op maximale capaciteit draaide liep gestaag op naar een hoogtepunt van zeventig procent eind 1988. De werkloosheid slonk van ruim drie miljoen naar thans 1,7 miljoen. De economische groei bereikte in 1988 een hoogtepunt van 4,8 procent.

De spaarzaamheid van de Britse bevolking nam af. Spaarden de gezinnen in 1980 nog 13,5 procent van hun inkomen, in 1989 was dat nog maar 5,1 procent. Groot-Brittannie geeft nu meer uit dan het produceert, een tekort dat wordt gedekt door het buitenland. Dit nationale spaartekort wordt weerspiegeld in het tekort op de lopende rekening dat dit jaar twintig miljard pond bedraagt, omgerekend 67 miljard gulden.

Uit angst voor een recessie na de beurscrisis van oktober 1987 hield de regering de rente bewust laag om de bestedingen en liquiditeiten op peil te houden. Omdat de beurskrach nauwelijks een negatief bestedingseffect bleek te hebben, werd de consumptieve vraag door de stimulerende maatregelen verder opgejaagd. De verlaging van de inkomstenbelasting betekende een extra impuls. De vraag steeg zo sterk dat de industrie er niet meer aan kon voldoen en reageerde met prijsverhogingen. Dit en krapte op de arbeidsmarkt lokten looneisen uit waardoor de lonen de afgelopen jaren gemiddeld met tien procent per jaar stegen. De prijzen liepen op, de economie raakte oververhit.

De inflatie is inmiddels opgelopen tot 10,9 procent en de rente tot veertien procent waardoor de bedrijvigheid wordt afgeremd. Het aantal bedrijven dat met volledige bezetting draait is inmiddels terug op het niveau van toen Thatcher aantrad - vijftig procent. De economie slonk het afgelopen kwartaal met een procent op jaarbasis.

Met een tanende economie daalde het vertrouwen in Thatcher die zich bovendien begin dit jaar inpopulair maakte met de invoering van de zogeheten poll tax, een gemeentelijke belasting waarvan de hoogte onafhankelijk van het inkomen is. Ze veroorzaakte daarmee een ware bevolkingsoproer.

Soevereniteit in de economische politiek stond bij Thatcher ook hoog in het vaandel. Haar toenmalige minister van financien, Nigel Lawson, bepleitte al in 1985 een toetreding van het Britse pond tot het Europese Monetaire Systeem (EMS), het stelsel van binnen smalle marges schommelende wisselkoersen. Toetreding zou betekenen dat Groot-Brittannie de rentepolitiek voortaan zou moeten richten op handhaving van de koers van het pond, een instrument dat Thatcher niet uit handen wilde geven. Omdat Thatcher bleef weigeren stapte Lawson oktober vorig jaar op. Een jaar later zou Thatcher alsnog toegeven.

In de eerste helft van de jaren tachtig lag Thatcher met de andere regeringsleiders van de EG-lidstaten vooral overhoop over de Britse bijdrage aan de Europese begroting. Toen dat in 1984 werd bijgelegd op de bijeenkomst van Fontainebleau verlegde ze in de tweede helft van de jaren tachtig het accent naar de monetaire soevereniteit. Tot op het laatst bleef ze zich verzetten tegen de plannen voor een gemeenschappelijke Europese munt waarover volgende maand in Rome een belangrijke conferentie plaats heeft. Het pond sterling mag in haar ogen niet van het wereldtoneel verdwijnen.

In Brusselse ambtelijke kringen is dan ook opgelucht op het vertrek van Thatcher gereageerd. Maar het zal haar als Brit - en vrouw van de vrije markt - meer pijn hebben gedaan dat ook de financiele markten haar aftreden toejuichen. 'It's a funny old world', constateerde de ijzeren dame gisteren.