Roman Doeschka Meijsing over liefdesverdriet; Ten kwade genezen

Doeschka Meijsing: De beproeving. Uitg. Querido, 263 blz. Prijs fl. 34,90.

Een kind van de 'ballpoint-generatie' noemde Doeschka Meijsing zich een paar jaar geleden in een lezing, die zij hield als gastschrijver aan de Rijksuniversiteit te Groningen. De ballpoint werd vlak na de oorlog in Nederland geintroduceerd, tot ongenoegen van menig schoolmeester. Deze generatie, die nu ruim veertig jaar oud is, lijkt een bevoordeelde, omdat zij geen oorlog heeft meegemaakt, geen noemenswaardige materiele ontberingen heeft geleden en zich allerwegen heeft kunnen ontplooien. Een verwende generatie kortom, die voor een al te lichtzinnig geloof in de fundamentele goedheid van de mens alleen behoed kon blijven door foto's van gruwelijke oorlogstaferelen. Deze weinig opwekkende nalatenschap van een vorige generatie heeft gezorgd voor 'een diepe scheur in onze emotionele huishouding', volgens Meijsing.

Het besef dat zij niets meegemaakt heeft en ook naar niets uit kan zien, maakt deze generatie tot wat zij heet te zijn: een verloren generatie. Veel van Meijsings verhaal- en romanfiguren hebben het gevoel nergens bij te horen, alleen te staan in een onoverzichtelijke chaos, zonder verleden en zonder toekomst. De jonge vrouw in de roman Tijger, tijger! (1980), die het gevoel heeft 'uit de geschiedenis gevallen' te zijn, probeert door het verrichten van archiefwerkzaamheden greep te krijgen op haar eigen verleden. Al haar personages maken jacht op hun persoonlijke geschiedenis, al breekt ook in zo'n zelfverzonnen wereld, zo'n beschut literair arrangement nog wel eens het besef door dat elke poging om een mensenleven zin en richting te geven vergeefs is. 'Eens zal ik zo kwaad worden op de dwaze breekbaarheid van de dingen die ik liefheb, dat ook ik op woestijntochten zal gaan. Nergens heen, omdat nergens iets te vinden is.' Dit verzucht de hoofdpersoon van de roman Utopia of De geschiedenissen van Thomas (1981). Net als haar overleden collega Thomas, wiens schimmige leven zij probeert vast te leggen, zal zij ooit het bijltje erbij neergooien en zich in de woestijn terugtrekken.

Aan de ene kant hebben haar personages de neiging zich aan hun geschiedenis vast te klampen, aan de andere kant is er de behoefte om uit dit onvolkomen en breekbare leven te verdwijnen. Zij worden heen en weer geslingerd tussen liefde en verachting voor het leven en als ze het verlaten - en hierbij legt Meijsing een opmerkelijke voorkeur aan de dag voor de woestijn - dan is het stampvoetend.

Verongelijkt

Dit mag wat overdreven klinken, maar Meijsing schrikt niet terug voor dramatische effecten. Haar nieuwe roman, De beproeving, is hier en daar sterk theatraal. Zo laat zij haar hoofdpersoon een pistool richten op zijn gewezen minnares terwijl zij de zee inloopt, om maar eens iets te noemen. Of zij laat hem in het holst van de nacht ontredderd over rotsplateaus klauteren en in een ravijn vallen, zodat hij zijn ribben kneust en zijn enkel breekt. Er zijn veel heftige scenes in dit boek, die niet uit de toon vallen, maar juist mooi in overeenstemming zijn met de niet mis te verstane boventoon die door de hoofdpersoon, Jona, wordt gevoerd. Jona is degene die de beproeving uit de titel moet ondergaan, op een weinig herbergzaam Spaans eiland, mogelijk Formentera. Hij is een gekwelde, verongelijkte, boze man, die zich al zijn hele leven uitgestoten voelt door ouders, broers en zussen, klasgenoten, leraren en collega's en sinds twee jaar vooral door zijn geliefde, die er vandoor ging met 'een ander'. De schaamteloosheid waarmee zijn onstelpbare verdriet, zijn hoop en wanhoop op de voorgrond worden geplaatst, maakt zijn geschiedenis tot een bijzondere. Mensen die het goed met hem voor hebben proberen hem tot rede te brengen en wijzen hem erop dat hij het, vergeleken met anderen die failliet zijn gegaan, ongewenst kinderloos of ziek zijn, helemaal niet zo slecht heeft. Maar hij volhardt in zijn verdriet, onverschillig voor het feit dat er landen vol onderdrukte Chinezen, Polen en Tsjechen zijn, die het allemaal veel moeilijker hebben.

De beproeving gaat over een mug waarvan een olifant wordt gemaakt, een mug waarvan zo hardnekkig, zo hartstochtelijk en met zoveel verblinding voor al het andere een olifant wordt gemaakt, dat deze mug de status van olifant ten volle verdient. Want dat is wat Doeschka Meijsing in deze roman duidelijk maakt, dat begrippen als klein en groot niets hoeven te betekenen, als er mooi en meeslepend wordt verteld. Een kind van een ballpoint-generatie hoeft dus niet onder te doen voor welk mensenkind dan ook, en iemand uit het Tatra-gebergte, die tien jaar lang door zijn vrouw bespioneerd is in opdracht van de KGB, is niet per definitie slechter af dan de man die 'gewoon' na vier jaar door zijn vriendin verlaten wordt.

In een roman als deze, waarin het nadrukkelijk om deze ene man gaat, hoeft het niet te verbazen dat de weggelopen geliefde en haar - overigens interessante - motieven onderbelicht blijven. Het is ook minder aan haar dan aan de liefde zelf, waaraan Jona zijn hart heeft verloren, onverbiddelijk trouw aan wat hij misschien nooit heeft bezeten.

Vliegende vis

Hoewel je kunt zeggen dat hij zich deze beproeving zelf oplegt - door zich te 'verbannen' naar het eiland waar hij het laatst met haar is geweest om 'ergens doorheen te komen', speelt er toch ook een van hogerhand opgelegde beproeving mee, ook al beweert Jona niet in 'religies' geinteresseerd te zijn. Een romanfiguur geeft men niet straffeloos een bijbelse naam. Het wemelt in deze roman van de vissen: tonijn, sardientjes, paling, oesters, zeeschelpen, dolfijnen en ook duikt af en toe een vliegende vis op. Een deel van de beproeving lijkt eruit te bestaan dat Jona, die naar de overlevering goed kan zwemmen, op het droge naar lucht moet happen.

Voor God, die wordt aangeduid als 'de God van Mutti', is er ook een rolletje weggelegd, - een onaardige meneer waarin Jona van zijn Duitse moeder nooit heeft mogen geloven. Of hij zich houdt aan haar verbod wordt niet helemaal duidelijk, maar dat doet er ook niet zoveel toe, want hij is al even ongehoorzaam als de profeet naar wie hij vernoemd is. Ondanks alle vermaningen, van familieleden, vrienden, kennissen en hotelgasten en niet in de laatste plaats van God zelf, volhardt Jona in zijn toorn, die hem belangrijker toeschijnt dan al het andere. Hij blijft boos tot het bittere einde, omdat hij wel over zijn liefde heenkomt, maar er niets dan leegte voor in de plaats krijgt. 'Hij was genezen, ten kwade', heet het dan ook. Zodat er voor hem ten slotte niets anders op zit dan zijn element, het water, voorgoed de rug toe te keren en de droogte op te zoeken, de droogte van de woestijn. Van olifant wordt hij weer mug, of toepasselijker: zandkorrel.

En als man?