Reizen op een slak; Les Parti Pris de Choses van Francis Ponge

De Franse schrijver Francis Ponge had medelijden met de dingen. Als een toegewijd en fanatiek ambassadeur van de zwijgende wereld is hij zijn leven lang opgekomen voor brood, zeep, kaars, donsdekens en deuren, voor alles wat bij gebrek aan woorden de 'dupe van zijn uitdrukking' was. Ponge's boek Le Parti pris des Choses uit 1942 is nu voor de tweede keer in het Nederlands vertaald. 'Ponge heeft de onsterfelijke gedachte gehad: als je goed om je heen luistert merk je dat bijna alles niet praten kan.'

Francis Ponge: Namens de dingen. Vert. Paul Meeuse. Uitg. De Bezige Bij, 105 blz. Prijs fl. 29,50.

Bij elk eureka! hoort een badkuip, bij elke badkuip hoort een stuk zeep en bij elk stuk zeep een lichaam dat gewassen wil worden. Mijn eerste kennismaking met Francis Ponge speelde zich dan ook af in bad. In de winter van 1969 zag ik zijn boek Le Savon op een gouden verhoginkje in een Parijse kerstetalage staan. Ik had nog nooit van Ponge gehoord, maar kocht het vanwege de schuimende titel op het eerste gezicht.

Nog diezelfde middag verdween ik ermee in de gietijzeren badkuip van mijn hotel. Toen bleek direct dat ik me een boek van drie-vliegen-in-een-klap had aangeschaft, want behalve spons en zeep bevatte het tussen de regels ook nog een gouden schrijverstip: neem voor je gaat schrijven altijd eerst een bad met als enig gezelschap Zeep. Jezelf van top tot teen inzepen. De zeep laten glijden en kletsen. Terugkletsen. Het uitjubelen als hij plotseling tussen je vingers doorglipt en verlegen naar de bodem zigzagt. Hem toch weer te pakken krijgen. Overmoedig worden. Je nogmaals inzepen. Uitrusten, soezen, wegdromen. Vervolgens alles afspoelen, het water bezoedelen en je afdrogen. Zeep uit het allerlaatste plasje water vissen en hem terugleggen op zijn oude schoteltje 'waar zijn voorhoofd droogt in de zon, bruin wordt, verhardt, rimpels krijgt en barstjes gaat vertonen.' Maar weten dat dit laatste er niets toe doet, omdat Zeep bij de eerstvolgende wasbeurt opnieuw zijn verrukkelijke enthousiasme tentoon zal spreiden.

Wie zich na een dergelijke wasbeurt aan zijn schrijftafel zet, zal merken dat zijn inkt geurt, dampt en vooral: schoon is. Le Savon wast namelijk niet alleen het vuil uit je ogen en het zweet van de wereld maar ook het stof van de taal. Dat maakt die ogen, de wereld en de taal er misschien niet beter op, maar verfrist ze in elk geval wel.

Waar gaat Le Savon dan over? Over zeep en over het schrijven. Nee, het is zeep, geschreven zeep, met een opwindend verglijdend vermogen, een sterke ontsnappingsdrift, een groot gevoel voor humor en een fabelachtige welsprekendheid. Tot welk genre behoort dit boek? Tot geen enkel genre, daar is het zeep voor. Op de titelpagina staat dan ook geen genre-aanduiding als roman, novelle, verhalen, gedichten, opstellen, essays, verhandelingen of reisverhalen. Maar niet voor iedereen en zeker niet in Nederland, waar de rubriceerzucht grenzeloos is, bleek dat een verademing.

In 1973 werd Le Savon door Peter Nijmeijer in het Nederlands vertaald: Zeep. Maakte dat Ponge hier beroemd? Integendeel. De ene vracht Zeep na de andere kwam bij De Slegte terecht. Daar lagen ze lange tijd te koop voor maar een gulden per stuk, maar niemand wou ze hebben. Toen werden ze versleept naar de Oudemanhuispoort. Daar lagen ze te koop voor vijf gulden per stuk. Toen wou helemaal niemand ze meer hebben. En als er geen wonder is gebeurd dan liggen ze daar nog. Daarna heeft geen enkele vertaler, laat staan uitgever zich nog aan een boek van Ponge willen wagen, zodat zijn naam hier alleen nog maar incidenteel opdook in sommige literaire tijdschriften (onder anderen Bernlef heeft nogal wat van hem vertaald).

Aan Ponges dood in 1988 werd geen aandacht besteed. Academische boekhandels die uitpuilen van de Sartres hebben doorgaans geen Ponges voorradig en als ze er toevallig toch een in huis hebben weet niemand meer of hij nu op de proza- of de poezie-plank werd bijgezet. Een van de prachtige portretten die Dubuffet van Ponge gemaakt heeft, zit in de vaste collectie van het Stedelijk Museum. Voor de gelegenheid wou ik het weer eens gaan bekijken: het stond in de kelder. Zo moest ik me tevreden stellen met een reproduktie op een briefkaart. Als enige aanduiding stond daar achterop: vrolijke figuur (hilarious figure, personnage hilare, lustige Figur). Net of het er niks toe deed dat het hier Ponge betreft.

Kortom: een van Frankrijks bizonderste schrijvers werd in Nederland bijna onzichtbaar gemaakt. Vrolijke figuur!

Dichter

Het getuigt derhalve van een zeker optimisme dat vertaler Piet Meeuse en De Bezige Bij het hebben aangedurfd om nu een Nederlandse vertaling uit te brengen van Ponges bekendste en zo buitengewoon lastig vertaalbare werk Le Parti pris des choses (1942): Namens de dingen.

Aan dit boek, dat hem op 43-jarige leeftijd dadelijk een grote faam bezorgde, dankt Ponge zijn reputatie 'dichter van de dingen'. Tot zijn eigen genoegen zal dat vermoedelijk niet hebben bijgedragen, want zoals elke reductie berust ook deze op een vrij grove simplificatie. Dichter heeft Ponge namelijk nooit speciaal willen zijn en zeker geen dichter van de dingen. Niet alleen was hij allergisch voor het kleinste zweempje 'ronron poetique', maar ook meende hij dat dingen en gedichten onverenigbaar waren. Dat wil niet zeggen dat er nooit een gedicht uit zijn pen is gekomen, het wil zeggen dat zijn bewuste streven op een ander vlak lag. Hij koesterde zelfs de geheime wens dat het gedicht vermoord zou worden door het ding waaraan het stem had gegeven. Verwacht in Namens de dingen dus geen gedichten, hooguit vermoorde gedichten. Maar wat kunnen vermoorde gedichten poetisch zijn! Neem nu alleen al eens De genoegens van de deur:

'Koningen raken geen deuren aan.

Zij kennen dit geluk niet: zachtjes of bruusk een van die grote, vertrouwde panelen voor je uit duwen, je naar hem toekeren om hem weer te sluiten - een deur in je armen houden.

- Het geluk om een van die hoge obstakels van een kamer vast te grijpen in zijn buik bij zijn porseleinen knop, dat snelle lijf-aan-lijf, waarbij men een moment de pas inhoudt, het oog opengaat en het hele lichaam zich aanpast aan zijn nieuwe behuizing.

Met een vriendschappelijke hand houdt het hem nog vast, voordat het hem met een beslist gebaar terugduwt en zich insluit - wat de klik van de krachtige, maar goed geoliede veer op aangename wijze bevestigt.'

Namens de dingen bevat drieendertig, merendeels korte hoofdstukken met betrekking tot dingen. Ik dacht altijd dat een ding zijn dingigheid voornamelijk ontleende aan deze drie voorwaarden: dood, optilbaar en (meestal) door mensen gemaakt. Daarom was de inhoudsopgave van dit boek al een openbaring, want daar komen niet meer dan twee van dit soort dingen in voor: kratje en deur. Kaars, brood en sigaret zou je er misschien ook nog tot kunnen rekenen, maar zowel hun aperte levendigheid als hun sterfelijkheid lijkt zich daartegen te verzetten. Voor de rest zijn het natuurverschijnselen (Regen, Het einde van de herfst), elementen (Water, Het vuur), plaatsen (Kusten, Restaurant Lemeunier), planten (De bramen, Het mos), dieren (Slakken, De vlinder, De garnaal) en zelfs mensen (Arme vissers, De jonge moeder, De Gymnast), zodat je je afvraagt waaruit voor Ponge de dingigheid van dit alles moet hebben bestaan. Het antwoord luidt: uit hun stomheid, hun onvermogen zich uit te drukken via het woord.

K. Schippers heeft de onsterfelijke woorden uitgesproken: 'Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is'. Ponge heeft de onsterfelijke gedachte gehad: als je goed om je heen luistert merk je dat bijna alles niet praten kan. En bij die gedachte heeft hij het niet gelaten. Het uitzonderlijke en eigenaardige van Ponge was dat die stomheid hem zo aangreep. Dat hij medelijden met de dingen kreeg omdat ze zich niet konden uitdrukken. Dat hij oor had voor hun 'sprakeloze smeekbede' om tot leven te worden gewekt. Dat hij die smeekbede tegemoet heeft willen komen door de dingen met zijn taal uit hun dodelijke stilte te bevrijden. En vooral: dat hij het grootste deel van zijn literaire energie daaraan heeft willen spenderen.

Als een toegewijd en fanatiek ambassadeur van de zwijgende wereld, die hij 'mijn vaderland' noemde, is hij levenslang spreekbuis geweest van alles wat bij gebrek aan woorden 'dupe van zijn uitdrukking' was. Wat bedoelt hij met die prachtige en onheilspellende formulering 'dupe van zijn uitdrukking'? In ieder geval niet zoiets als een wrattige pad die van binnen een schoonheid is, want zijn preocupatie lag op het vlak van de taal en niet op het vlak van de algemeen erkende schoonheid of lelijkheid. Het ging hem om de noodlottige verstarring waar elke ontalige verschijningsvorm, mooi of lelijk, in gevangen zit. 'Bomen', zegt hij bij voorbeeld, kunnen niets anders uitdrukken dan 'bomen'. Het heeft misschien wat wonderlijks, zo'n heftige compassie met de stomheid van brood, steen of garnaal, maar toch ook iets hartveroverends en moedigs, zeker in een samenleving die de dingen en de dieren naar de achtergrond verwijst.

Briljant student

Ponges identificatie met de sprakelozen gaat ten dele terug op een paar traumatische ervaringen uit zijn studietijd (hij studeerde retorica, rechten en filosofie). Het is hem toen twee keer overkomen dat hij op een mondeling examen geen woord uit kon brengen, terwijl hij een briljant student was. Voor een ander zou dat misschien de gewoonste zaak van de wereld zijn geweest, maar hij belandde door deze vernederende 'ontrouw der expressiemiddelen' in een crisis die hem ertoe aanzette zich grondig te gaan verdiepen in het uitdrukkingsvermogen van de taal. En dat is hij blijven doen. Dagelijks zat hij met de Littre op schoot en nog in een interview aan het eind van zijn leven zei hij met grote felheid: '- de manier waarop iets gemaakt is, dat is het enige wat telt, en dat men teksten met woorden maakt en geen ideeen. Ik geloof dat dat al vaker gezegd is, maar men vergeet het steeds weer!'.

Het zal langzamerhand wel duidelijk zijn dat Ponge niet een maar drie parti-pris had: de dingen, de taal en (zoals elke schrijver) zichzelf. Vandaar dat hij zijn lezers een reis kan aanbieden die via de 'oneindige mogelijkheden van de semantische dichtheid van de woorden' naar de 'oneindige mogelijkheden van de dichtheid van de dingen' voert. Dat is nog eens reizen: door het brood, op een slak, in het 'typografisch struikgewas' van een bramenbosje, binnenin een oester, langs alle tafeltjes van een restaurant en dan en passant ook nog even dwars door de hele Littre.

En wat een reisleider! Eerst voert hij je mee langs berg en dal tot midden in de weke, diepe zachtheid van het brood en dan stelt hij ter plekke voor om dat brood maar in stukken te breken en op te eten. Zo val je uit het kruim naar beneden en kom je keihard met je neus op de tekst terecht, om er getuige van te zijn dat de eerbiedwaardigheid van de woorden om zeep wordt gebracht door de eetbaarheid van het brood: 'Het oppervlak van het brood is wonderbaarlijk, in de eerste plaats door die bijna panoramische aanblik die het biedt: alsof je binnen handbereik de beschikking had over de Alpen, het Taurusgebergte of de ketens van de Andes. - De laffe en koude ondergrond die het kruim wordt genoemd heeft net zo'n weefsel als sponzen: bladeren of bloemen zijn daar met al hun ellebogen tegelijk aan elkaar vastgegroeid. Terwijl het brood uitdroogt, verwelken en krimpen die bloemen: ze laten elkaar dan los, en de massa wordt er bros van... Maar genoeg laten we het breken: want het brood moet in onze mond niet zozeer iets eerbiedwaardigs als wel iets eetbaars zijn.'

Die laatste zin bevat een staaltje van een typisch Pongiaanse wisselwerking tussen woord en ding. Het woord dat je in je mond neemt om uit te spreken wordt brood dat je in je mond neemt om op te eten. En omwille van het breken van dat brood breekt Ponge de tekst af. Het illustreert zijn opvatting dat schrijven 'vanuit het ding' een schrijven 'tegen de woorden' impliceert.

Heelallen

Maar Ponge wou meer dan louter dingen beschrijven. Met zijn beschrijvingen wou hij ook de fundamentele inwendige structuur van elk ding onderzoeken, dat 'wat het ding bij elkaar houdt' en bijgevolg ook dat wat de taal bij elkaar houdt. Hij koesterde zelfs de hoop dat hij op deze manier iets zou achterhalen van de geheimen waardoor het heelal bij elkaar wordt gehouden. Meer dan eens heeft hij gezegd dat hij een kosmogonie wou maken, maar dan wel als volstrekte autodidact en beginnend bij het begin. Veel hoofdstukken in Namens de dingen zijn dan ook heelallen in het klein. Restaurant Lemeunier bij voorbeeld. Waardoor wordt dit restaurant, dit 'ding', bij elkaar gehouden? Door licht, spiegels, groene planten, galerijen van Amerikaans grenenhout, lauwe geuren, getik van vorken, kletterende borden, romige nagerechten, obers, geroezemoes en ... de zwetende oksels van vrouwen: 'Terwijl ze de armen optillen in een beweging die bij hun oksels hun persoonlijke manier onthult om de cocardes van hun transpiratie tentoon te spreiden, verschikken de vrouwen iets aan hun kapsel of spelen ze met een tube creme.'

Hoewel Namens de dingen propvol antropomorfismen zit en hoewel Ponge zelf voortdurend tussen zijn woorden opduikt, komen er nauwelijks mensen in voor. En als ze er in voorkomen, worden ze beschreven vanuit hun dingige kant. Zo wordt De gymnast, 'dat bewierookte voorbeeld van menselijke domheid'.

dogenloos teruggebracht tot de letters waaruit hij bestaat (ondertussen worden die letters vermenselijkt!): 'Zoals de G al aangeeft, draagt de gymnast een sik en een snor, die bijna geraakt wordt door een dikke lok in de vorm van een krul op een laag voorhoofd. Als gegoten zit hij in een gympak dat twee plooien maakt in de lies, en hij draagt ook, net als zijn Y, de staart links' (de geldigheid van een en ander hangt uiteraard af van de gekozen typografie).

Schreef Ponge nu zo weinig over mensen, omdat hij over dingen wou schrijven of schreef hij over dingen omdat hij liever niet over mensen wou schrijven? Dat is nog niet zo makkelijk te beantwoorden. Zeker is dat hij al in zijn jeugd niet al te enthousiast was over de menselijke soort. Op achttienjarige leeftijd noteert hij dat hij tot de conclusie moet komen 'Dat de zogenaamde persoonlijkheid resultaat is van een houding, van poses, van vermommingen. Dat de volwassen mens een monster is in verhouding tot de kinderen. Dat de menselijke samenleving een schaamteloze verzameling is. Dat alle mensen verdorven zijn en weten dat de anderen dat weten.'

Jaren later legt hij in Proemes uit waarom de mens het tegendeel is van zijn literaire onderwerp: 'Grof gezegd komt het hierop neer: als ik een verborgen bijbedoeling heb dan is dat duidelijk niet om het onze-lieve-heers-beestje, de prei of de donsdeken te beschrijven, maar vooral om de mens niet te beschrijven.' Aan de andere kant eindigen zoveel stukken uit Namens de dingen met een duidelijk op de mens toegespitste moraal dat je moeilijk kunt beweren dat de mens hem totaal onverschillig liet. Soms geeft hij zelfs blijk van regelrechte bekeringsdrift.

Dat is niet de sterkste kant van zijn werk. Slakken bij voorbeeld, een magnifiek en lyrisch stuk dat je zou kunnen opvatten als een literair zelfportret, wordt helaas lichtelijk bedorven doordat het eindigt met zinsnedes als: 'De grote gedachten komen uit het hart', 'Vervolmaak jezelf moreel en je zult mooie verzen maken' en 'Wat is echter het eigen grondbeginsel van de mens: het woord en de moraal. Het humanisme.'

Zinnig

Ponge als humanist. Het is dan ook een raadsel dat Sartre, die hem overigens zeer bewonderde, hem ooit materialisme heeft aangewreven. Gelukkig heeft zijn humanisme ook zinnige kanten. Ponge wou bereiken dat de mens zich door het ding zou laten heropvoeden. Hij hoopte dat iedereen die zich zou orienteren op het anders-zijn van de dingen tot een persoonlijker manier van uitdrukken zou komen, want wie zich onpersoonlijk uitdrukt is natuurlijk net zo goed dupe van zijn eigen uitdrukking als het eerste het beste ding. 'Ja zeker', zegt hij in Methodes, 'ik heb genoeg van de mens zoals hij is, ik heb genoeg van die mallemolen. Laten we eruit stappen, ons eruit laten trekken door onze objecten' en hij stelt voor om elke vastgeroeste vorm van retoriek te attaqueren, zodat men misschien eindelijk eens een persoonlijke taal verwerft naar zijn eigen aard en zijn eigen maat.

Oefeningen in verbale heropvoeding heeft Ponge zijn teksten wel genoemd. Wat hemzelf betreft hebben die oefeningen hun vruchten rijkelijk afgeworpen en dat doen ze nog steeds. Er zijn maar weinig schrijvers die in de laatste decennia door zoveel literaire en literair-filosofische bewegingen zijn binnengehaald als hij: het surrealisme, het existentialisme, de Nouveau Roman, Tel Quel en onlangs nog ons eigen Barbarber (zie Barbarberalfabet). Met enkele van deze bewegingen heeft hij duidelijk gesympathiseerd, maar zodra hij voelde dat hij geannexeerd werd, ontglipte hij als een stuk zeep. Dat radicale individualisme en die onafhankelijkheid hebben hem de eeuwige jeugd opgeleverd.

Het moet een ware heksentoer voor Piet Meeuse zijn geweest om dit werk te vertalen. Soms doet zijn vertaling wat plechtstatiger en minder speels aan dan het origineel. Maar dat kan ook bijna niet anders. Deze teksten zijn zo dicht en wortelen bovendien zozeer in de Franse taal (etymologieen, homoniemen, onomatopeeen, dubbelzinnigheden) dat sommige zinnen ronduit onvertaalbaar zijn. Niettemin weet Meeuse tal van aardige oplossingen te bedenken en waar hem dat niet lukt, legt hij in zijn toelichting helder uit waarom hem dat niet lukt. Een enkele dubbelzinnigheid is hem ontgaan. Zo eindigt het stuk Regen met il a plu. Meeuse vertaalt dat met het heeft geregend en dat is juist, maar het betekent ook het/hij heeft behaagd en die betekenis doet hier ook mee. Zo zijn er nog wat meer kleinigheden, maar dat neemt niet weg dat deze vertaling een knappe prestatie is.

'Je moet absoluut weten wat ik ervan denk: de Parti Pris lijkt me een van de mooiste literaire dingen die in lange tijd verschenen zijn', schrijft Ponge vlak na het uitkomen van zijn boek aan zijn vriend Paulhan. Wie dit literaire 'ding' leest, zal merken dat dat geen grootspraak is.

    • Charlotte Mutsaers