Pap

Een oude man riep zijn zoon tot zich. 'Ik ga sterven, ' zei hij, 'maar voor ik vertrek wil ik dat je drie dingen nalaat in het leven: ten eerste, vertel je vrouw nooit een geheim; ten tweede, sluit nooit vriendschap met een politieman; ten derde, leen nooit geld van een arme man, maar van een rijkaard.' Het waren zijn laatste woorden.

De oude man lag nog niet koud onder de grond of de zoon besloot te onderzoeken hoe wijs de adviezen van zijn vader waren. Dus ging hij naar een arme man en leende een koperstuk, en naar een rijkaard van wie hij een goudstuk leende. Thuis vertelde hij zijn vrouw niets over het geld.

De volgende morgen kocht hij een geit, die hij in het bos slachtte. Hij wikkelde het karkas in afgesneden gras en sleepte het naar zijn hut. Daar vertelde hij zijn vrouw opgewonden dat hij een man had gedood. En dat hij het lijk onder de vloer wilde begraven. De vrouw haalde een schop en samen groeven zij een gat waar zij het lijk in verstopten. De vloer werd met verse modder aangestampt en de vrouw zette haar kookpot bovenop de onheilspellende plek.

'Zo, ' sprak de jongeman in zichzelf, 'nu heb ik geld van een arme man geleend en mijn vrouw een geheim verteld. Wat rest is vriendschap te sluiten met een politieman.'

Hij ging naar buiten, liep naar de grote boom en zag daar twee politiemannen. 'Ik zou je graag goed willen leren kennen, ' zei hij tegen een van hen, 'kom thuis bij mij eten.' De politieman vond het goed en ging mee. De vrouw begon onmiddellijk pap te koken. De mannen wachtten op de warande.

Toen ze allebei een bord dampende maispap kregen en de jongeman zijn eerste hap genomen had, zei hij: 'Wat is dit voor hondevoer. Je hebt de mais niet goed gekookt.' Boos gooide hij het bord naar haar hoofd.

De vrouw zocht bescherming bij de politieman. 'Mijn man is een driftkop, ' zei ze, 'misschien vermoordt hij me wel, zoals hij ook gisteren een man heeft vermoord.'

De politieman arresteerde de jongeman en voerde hem weg. De rechter stuurde hen echter beiden weer terug om het slachtoffer op te graven. De vrouw wees de plek onder de kookpot aan en de politie vond precies wat ze verteld had: een vers lijk, toegewikkeld in gras. De jongeman moest het lijk zelf naar de rechter brengen.

Onderweg kwamen zij de arme man tegen. 'Wanneer krijg ik mijn koperstuk, ' riep hij.

'Ik ben op weg naar de rechtbank. Ik word van moord beschuldigd.'

'Ze zullen je ophangen en ik zal mijn koperstuk nooit meer terugzien.'

'Misschien hangen ze me niet, ' zei de jongeman, 'dan zal ik je beslist terugbetalen.'

'Nee, ze zullen je hangen, ' zei de arme man en hij spuugde hem in zijn ogen.

Even verderop ontmoetten zij de rijke man en de beschuldigde riep: 'Ik heb problemen, ik weet niet wanneer ik je terug kan betalen.'

'Je hebt nu wel iets anders aan je hoofd, ' zei de rijke, 'ik kan lang wachten.'

Voor de rechter trok de jongeman het gras van de dode geit weg en vertelde waarom hij zo gehandeld had. Iedereen vond dat zijn vader als een wijs man gestorven was.