NS en streekvervoer tot samenwerking bereid

AMSTERDAM, 23 nov. - Reorganisatie van het openbaar vervoer en verbetering van de onderlinge samenwerking per regio kan op de instemming rekenen van de betrokken bedrijven. Zowel de NS als Streekvervoer Nederland stemmen, zij het met kanttekeningen, in met de voorstellen van de Commissie-Houben.

Het rapport van deze commissie, onder voorzitterschap van de Brabantse commissaris van de koningin, werd gistermiddag in Amsterdam officieel gepresenteerd. Aanbevelingen van het organisatiebureau McKinsey vormen de basis van het rapport, waarin staat dat per regio zoveel mogelijk een vervoerbedrijf moet ontstaan of de bestaande bedrijven intensief moeten samenwerken. Dienstregelingen kunnen zo beter op elkaar aansluiten en overbodige kosten worden vermeden.

Daartoe moet Nederland worden verdeeld in 12 tot 15 vervoerregio's, waarin gemeenten en openbaar-vervoerbedrijven samenwerken. De gedachten gaan uit naar een regionaal planningsorgaan, waarin de overheden als opdrachtgever en de bedrijven als uitvoerder fungeren. De NS is op regionaal niveau bereid mee te werken aan zo'n systeem, zij het vanuit gescheiden verantwoordelijkheden. Ook wijst de NS 'als interregionaal vervoerder' op de noodzaak van goede afstemming tussen de vervoerregio's, als taak voor de provincies. Streekvervoer Nederland wijst erop dat regio's niet altijd exclusief aan een vervoerder kunnen worden toebedeeld, omdat een streekvervoersbedrijf vaak meer dan een regio bedient.

Minister Maij-Weggen (verkeer) die de opdracht voor het rapport had gegeven, klonken de plannen 'als muziek in de oren'. Noch bedrijven, noch regionale overheden kunnen het zich permitteren langs elkaar heen te werken, stelde de minister. Een 'harde bestuurlijke samenwerkingsvorm' stelt haar in staat ook financiele verantwoordelijkheid naar het regionale niveau over te dragen, aldus de minister. Een goed regionaal plan vormt voor de minister een belangrijke basis bij de beoordeling van voorstellen voor nieuwe infrastructuur.

Zij zei er veel heil in te zien de regionale overheden voor het openbaar vervoer door middel van een vooraf bepaalde rijksbijdrage te financieren. Dat bedrag wordt gebaseerd op het aantal passagiers dat de bedrijven verwachten te vervoeren. De regionale overheden kunnen het geld naar eigen inzicht besteden en omdat de hoogte vooraf bekend is, zullen ze dit zo doelmatig mogelijk willen doen, redeneerde Maij-Weggen.