Niemand is ooit zichzelf; gesprek met Alfred Kossmann

Iedereen is een romanfiguur, vindt Alfred Kossmann. Hij schrijft over mensen die hulpeloos rondzwerven door hun fantasie en hun waan, maar zonder zwaarwichtigheid. Onlangs verscheen 'Familieroman', een boek waarin vijf personen behoorlijk ver van het alledaagse leven af staan. Een gesprek met de 68-jarige schrijver in zijn woonplaats Amsterdam. 'Het verdwijnen van zelfbewustzijn is eigenlijk niet onplezierig.'

Wie in zijn geheugen zoekt ziet zichzelf soms verschijnen, al is dat strikt genomen onmogelijk. Daar sta je, een klein meisje tegen een groot divanbed, je kent de gestreepte bekleding - een foto is onontwarbaar vermengd geraakt met herinnering. Het geheugen liegt er, zoals bekend, op los, het reikt beelden aan die we alleen maar van horen zeggen hebben, het spiegelt ons een verleden voor met daarin een onbekend personage. Want juist onszelf zien we niet.

Alfred Kossmann weet dat maar al te goed. 'Ik herinner me hoe ik door de lucht vloog, als beeld, maar gelukkig is het een volstrekt onzinnig beeld, het beeld van een man in een zwarte jas, een zwarte hoed op het hoofd, een tas onder de rechterarm geklemd die een salto mortale maakt als in een komische film.' Even later kwam deze niet bestaande man op 24 februari 1972 met een smak op de grond neer en daar werd hij weer de vijftigjarige Alfred Kossmann die zojuist een auto-ongeluk had gehad dat hem invalide zou maken. 'Een van de grote fouten uit mijn leven, ' zegt hij op een zonnige herfstmiddag in 1990. 'Ik had nooit in die auto moeten gaan zitten.'

Over de stille laan in Amsterdam-Zuid waar Kossmann woont, lopen niet veel mensen. Mannen met pakken aan parkeren er hun auto. Ze zien eruit zoals geslaagde mannen eruit horen te zien en ze kijken alsof ze zelf geloven in hun buitenkant. Daarom zijn ze niet geschikt om als personages in een van zijn romans op te treden zegt Kossmann. Hij kan zich niet in iemand verplaatsen die volkomen samenvalt met het beeld dat hij aan de wereld presenteert. 'Hoeveel zelfbeelden heeft een mens wel niet tijdens zijn leven? Het begint al bij het opstaan: hij staat bijvoorbeeld nukkig en humeurig op. Dan gaat de bel: hij voelt zich vies en erbarmelijk. Hij gaat zich wassen en herinnert zich dat aardige telefoontje van gisteren, zo kwaad is hij dus nog helemaal niet. In de spiegel ziet hij nu een aardig en pittig persoon. En zo gaat dat maar de hele dag door.'

Welk van die beelden is het juiste? Bestaat er wel een juist beeld? Of bestaan we uit een heleboel beelden die samen geen geheel vormen? In 1979 schreef Kossmann: 'Een oprecht denkend ik weet dat het niet bestaat, dat het als ik niet kan bestaan, en de verwarring die het is zo netjes mogelijk omhult. Iedereen is een romanfiguur in de roman die hij zelf schrijft, een fantasie, en persoonlijkheid, ach wat, persoonlijkheid is een prothese.' Hij nam deze beschouwing op in zijn boek Duurzame gewoonten of Uit het leven van een romanfiguur (1987), een prachtig boek met verhalende overpeinzingen over van alles dat hem interesseert: een reisje naar de stad van Thomas Mann, de eigenaardige herinneringen van Willem Kloos, de vergeten Duitse romanticus Justinus Kerner, het leven in ziekenhuizen, zijn eigen personages tegen een van wie hij verzucht: '[jij lijkt] mij soms meer mijzelf dan ik mij mijzelf lijk'. Romanpersonages onder elkaar. Zo gaat het toe in elk van de boeken van Kossmann: mensen die zichzelf gadeslaan en weten dat ze niet bestaan.

Schelden en huilen

In zijn laatste boek, onschuldig en gezellig Familieroman geheten, komt om met Gerard Reve te spreken geen normaal mens voor. Met elk van de personages is iets mis, ze zijn gek, of te oud om te doen wat ze zich voorstellen of te overspannen. Ze praten tegen zichzelf over hun gedrag. De paranoide Karen Jacht denkt als volgt:

'Zou ik eerst een half uurtje piano gaan spelen?

'Doe dat nu niet', zei ik. 'Je weet dat het misgaat. Je kunt de noten niet lezen, je slaat de verkeerde toetsen aan, het wordt weer schelden en huilen, vast en zeker.'

'Maar als ik nu even op de kruk ga zitten?' zei ik. 'Dat kan toch geen kwaad? Het hoeft toch geen Chopin te zijn?'

'Nee Karen' zei ik. 'Geen sprake van, we gaan ons nu weer als grote mensen gedragen.'

'Ja', zei ik, 'dat doen we, we hoeven niemand meer voor de gek te houden.' '

In Familieroman komen vijf personages om beurten aan het woord, ieder met zijn of haar eigen verwarrende kijk op de nogal bizarre gebeurtenissen, ieder in zijn of haar eigen taal. De inhoud is zo'n beetje als volgt:

De mooie veertigjarige makelaar Machteld Tobbe die op aandrang van haar vroegere echtgenoot gefraudeerd heeft, krijgt een zenuwinzinking als ze juist op bezoek is bij een buitengewoon vreemd echtpaar dat haar vervolgens vasthoudt, vermoedelijk in de hoop haar geld af te kunnen persen. Intussen ligt haar vader Hubert Telvenbeen stervend tegen zichzelf te praten over zijn autobiografie en hoe die geschreven zou moeten worden. Hubert woonde samen met zijn zuster Tilde en drie verwarde geadopteerde pubers. Lourens Jacht, de oudste vriend van Hubert, nu getrouwd met Machtelds moeder, gaat proberen wat hulp te bieden aan Tilde met haar drie pubers, maar hij is zelf volkomen hulpeloos. Zijn vrouw is gek en steekt per ongeluk het huis in brand en zichzelf erbij. Machteld is willoos, van medicijnen en van vermoeidheid. Tilde meent door het hiernamaals te lopen, waar ze en passant een moord pleegt.

'Dit boek gaat over desintegratie, ' zegt Kossmann. 'Of niet? Over verlies van zelf gaat het. De catastrofe van de persoonlijkheid.'

Het thema 'zelfverlies' heeft Kossmann altijd geinteresseerd, het kwam al voor in zijn debuut De nederlaag. In die roman wordt een jongeman, zoals dat Kossmann zelf overkomen is, tijdens de oorlog in Duitsland te werk gesteld. Al steentjes slaand onder biels en sneeuwruimend op nachtelijke spoorwegemplacementen is het de jonge held 'of er iets wegstroomde uit hemzelf - Maar hij wist niet wat dit was en bekommerde er zich niet om in de voortdurende waakzaamheid dat deze diepe verdoving zijn hersens zou blijven doornevelen, deze warme, vriendelijke bescherming hem zou blijven omsluiten.'

Koffie

'Eigenlijk, ' zegt Kossmann nu, 'is dat verdwijnen van zelfbesef niet eens onplezierig. Ik heb dat meegemaakt bij dat ongeluk. Al klinkt het pathetisch, ik ben toen echt bijna dood geweest. Ik lag daar, niet in coma, maar wel in een heel vreemde staat. Het is natuurlijk onmogelijk dat ik me daar werkelijk iets van herinner, maar ik herken die sfeer nog. Alles was waan. Ik keek naar de klok maar kon niet begrijpen hoe laat het was, hoe ik ook mijn best deed. Blijkbaar was het dus niet alleen maar plezierig, want ik worstelde om weer zelfbewustzijn terug te krijgen.'

Ook al voor hij wist wat het is om tussen leven en dood te zweven, liet Kossmann zijn personages tamelijk hulpeloos rondzwerven door hun eigen fantasie, dronkenschap of waan.

'Ik geloof helemaal niet dat iemand zijn eigen leven in de hand heeft, ' zegt hij. 'In zekere zin natuurlijk wel. Ik zit hier gewoon en ik heb koffie gezet en men kan heel goed een afspraak met mij maken. Maar verder speelt zich maar van alles af in onze hoofden en of we werkelijk in staat zijn ons eigen leven te ervaren... Je hebt hier in de buurt veel van die oude Duits-joodse dames die je hoort kwekken over de prijs van een onsje rookvlees en waar je de beste pepermunt kunt krijgen. Die mensen hebben een gruwelijk verleden, maar ze zouden misschien wel gek worden als ze dat werkelijk ten volle zouden moeten ervaren.'

Hoe kan hij enerzijds vinden dat er niet zoiets als een persoonlijkheid bestaat, en anderzijds altijd maar weer schrijven over 'zelfverlies'? Wat valt er te verliezen als er geen zelf is? Kossmann kijkt licht wanhopig. 'Dat weet ik niet. Zie je wel dat ik geen systeem heb? Het cirkelt bij mij allemaal zo'n beetje om een thema. Is het inconsequent?'

Zelden zijn Kossmanns personages zo ver van het alledaagse verwijderd geraakt als in zijn laatste roman. Vooral Tilde Telvenbeen die onophoudelijk met haar zojuist overleden broer praat is behoorlijk gek. 'Huib, ' zei ik, 'ik had me verheugd op je dood. Ik was er zeker van dat we beter met elkaar konden omgaan wanneer je dood was. Zeg nu toch iets. Laat me niet in de steek. Waarom laat je me zo in de steek?' '

Voor een schrijver die zegt alles van zelfreflectie en -observatie te moeten hebben zijn zulke romanfiguren misschien wat verontrustend? Maar nee. 'Tilde Telvenbeen is mij ook vreemd, maar haar fantasie sleepte mij wel mee, ' zegt Kossmann. 'Ze leeft van kind af aan al in een waan, maar verder is ze, voor zover ik het kan beoordelen, een praktische en intelligente vrouw. Verliefd op haar broer. Een liefde die, zoals gebruikelijk bij zulke liefdes, niets is geworden.' Desalniettemin komen zulke liefdes, tussen vader en dochter, broer en zus, neef en nicht, nogal eens voor in zijn romans. Lieve, intieme relaties zijn het, merkwaardig vanzelfsprekend maar ook nogal benauwend, want zich afspelend in een kleine wereld. ('En wee je gebeente als je je aftrekt. Je bent van mij vadertje.')

Verlangen

'Ons gezin was heel gewoon hoor, ' zegt Kossmann. 'Misschien heeft het te maken met dat ik een tweelingbroer heb? Of is het verlangen naar een zusje? Eigenlijk hoort het ook vind ik, dat je je in alle opzichten wendt tot degenen die je het naast staan. Hoewel er misschien ook iets angstigs in zit. Angst voor de buitenwereld.'

Angstig zijn Kossmanns personages allemaal en geen wonder, aangezien ze zo weinig greep op het leven hebben. In Familieroman heeft Lourens Jacht er iets op gevonden. Hij verzint een God dankzij wie hij het leven aankan. 'Soms - dit was zo'n moment - bedacht ik dat ik alles had aan mijn God en helemaal niets. Wat ik nu ook deed, het zou het juiste zijn, ik zou het tot in het diepst van mijn ziel ervaren als het juiste. En ik wist niet wat ik moest doen behalve mij inspannen om te beseffen dat dit nu precies het juiste was.' Hij heeft van zijn machteloosheid en zijn passiviteit een geloof gemaakt. 'Wanorde is een ondenkbaarheid, de gedachtenfout van ongelovigen, ' vindt hij. Het is zijn bezweringsformule. Net als iedereen wordt ook hij bedreigd door chaos en desintegratie.

Vijf oude mannen

Ook in Kossmanns vorige boek Een verjaardag worden wanhopige pogingen gedaan om een houding te vinden tegenover de verwarrende chaos van zogenaamde feiten en zogenaamde gebeurtenissen. Vijf oude mannen halen herinneringen op waarvan ze weten dat het geen herinneringen zijn, maar verhalen die de plaats hebben ingenomen van de oorspronkelijke gebeurtenissen. Ze zijn zich ervan bewust dat ze, hoe ze ook praten, toch niet weten welke feiten ertoe deden in hun leven, noch hoe ze die zouden moeten interpreteren. 'Een denkend mens mag geen verhaal maken van zijn ervaring. De wildernis mag geen voortuintje worden, ' denkt de hoofdpersoon. Maar natuurlijk kan hij niet buiten verhalen. Die laten zien dat hij bestaat, al is het lang niet altijd in dezelfde vorm.

Kossmann zelf is de grootste verhalenverteller van allemaal. Roman na roman verzint hij dat hij bestaat.

Op het ogenblik schrijft hij niets. Hij mist de personages uit Familieroman nog. En er diende zich tot nu toe geen nieuwe roman aan. Want zo gaat het - een boek begint gewoon bij het begin, met een beeld. Bijvoorbeeld dit: 'Een zeug van een vent in een kamer vol liflaf. Hij zat in een lichtblauw pak wijdbeens op een old finish bank, en naast hem, in de weinige ruimte die overbleef, ging de vrouw zitten die mij had opengedaan, een rat van een vrouw, in een grijze jurk.' Een raadselachtig begin. Wie komt daar de kamer binnen? Wat zijn dat voor mensen die daar zitten?

'Het heeft een poos geduurd voor ik daar zelf achter was, ' zegt Kossmann. 'Ik schrijf heel intuitief, ik ben zelf ook steeds nieuwsgierig naar wat een personage verder gaat doen. Ik begin met een situatie, na vijftien pagina's ongeveer weet ik of het een boek gaat worden of niet. Nadat Machteld door dat echtpaar in een zijkamertje was neergelegd wist ik even niet verder. Toen kwam, zo maar, de scene waarin een man luid pratend maar door niemand verstaan ligt te sterven in een ziekenhuisbed. Die heb ik met veel lol geschreven. Een oeuvre als dat van Vestdijk of van Theun de Vries schrijf je op deze manier natuurlijk niet, maar die ambitie heb ik ook allang niet meer. Waarom zou je je eigen oeuvre willen inruilen voor dat van iemand anders.'

Kossmanns oeuvre zou je kunnen beschrijven als een lange bezweringsformule. Anders dan zijn personage Lourens Jacht zal Kossmann niet beweren dat wanorde niet bestaat, maar hij heeft dan ook geen geloof om zich aan vast te houden. Alleen maar verhalen, en veel meer dan dat is er immers toch niet.

'Er wordt vaak beweerd dat ik zo'n afstandelijke en gedistantieerde schrijver ben. Dat begrijp ik niet. Het is noodzaak, wat ik doe, ' zegt hij. 'Sommige scenes heb ik zelf zo ontroerd en gedreven geschreven - en daar wordt dan later uit geconcludeerd dat ik hooghartig ben.'

Het zal wel aan zijn stijl liggen, die mooi, zorgvuldig, onuitbundig is. Aan zijn veelvuldig gebruik van woorden als: 'lief', 'lijzig', 'lispelen'. Aan zijn afkeer van schreeuwerig schrijven over 'verdriet' en 'eenzaamheid'. Hij heeft het hoffelijk over 'verlies van zelf', over 'ergernis' over 'verwarring'. En hij behoudt in alle romansituaties zijn gevoel voor humor. Over zijn laatste boek, waarin een machteloosmakende chaos iedereen te gronde richt, praat hij zo luchtig of het een amusante zeepbel betreft. En het is waar: het is een buitengewoon grappig boek. Verwarrend grappig.

Buitenstaander in eigen leven Een jeugd die zich niet in Rotterdam afspeelt kan Alfred Kossmann, die in 1922 in die stad geboren werd, zich niet voorstellen. Of misschien kan hij het wel, maar hij zou het 'onbehaaglijk' vinden om daarover te moeten schrijven. Behalve dat jeugdsentiment is Rotterdam voorbij, zegt hij. De schrijver woont dan ook al jaren in Amsterdam, eerst in de jordaan waar hij dikwijls tijdens het bierdrinken in de kroeg op de hoek belangwekkende dingen dacht als je zijn mededelingen daarover mag geloven, later in het stil-deftige Amsterdam-Zuid.

In de jaren zestig reisde Kossmann veel door Europa, vooral door Zuid-Europa: Portugal, Spanje, Italie en Griekenland, veel Griekenland. Hij schreef er reisverhalen over, hele goede - Reislust (1963), De smaak van groene kaas (1965), Reisverhaal (1966) en Clownsreis (1967) - waaruit in 1983 een keuze is gemaakt onder de titel De middag van mijn leven. In die boeken kijkt hij goed om zich heen, toont zich belezen en nadenkelijk en filosofeert wat over het merkwaardige gevoel een hartstochtelijk geinteresseerde buitenstaander te zijn - het gevoel van de toerist. Of men ook niet een toerist is in zijn eigen leven, vroeg hij zich destijds af. Het is een uitspraak die eindeloos met zijn werk in verband is gebracht. Kossmann? 'Toeristische levenshouding'.

Zoals het hoort begon Alfred Kossmann als dichter en ook na zijn romandebuut (De nederlaag (1950)) publiceerde hij nog regelmatig dichtbundels. In 1969 zijn zijn gedichten verzameld (Gedichten 1940-1965) en sindsdien is er geen poezie van hem meer verschenen. Wel van een van zijn romanpersonages. In 1985 bleek plotseling Tomas Rozendal, hoofdpersoon uit Kossmanns misschien wel mooiste roman Geur der droefenis (1980), vier gedichten geschreven te hebben die in een kleine oplage verschenen, 'bezorgd door Alfred Kossmann'. 'Het bleek mij dat hij, nadat de roman was voltooid, buiten de roman ging bestaan, mij zo nu en dan de pen uit de hand nam en depressieve lyriek schreef waarvoor ik mij niet verantwoordelijk achtte. Zijn genre.'

Na zijn auto-ongeluk in 1972 kon Kossmann moeilijk lopen en dus ook maar moeilijk reizen of in een huis in de binnenstad wonen met nauwe trappen. Tot dan toe was hij gewend om zijn romans tijdens zijn reizen te schrijven, op hotelkamers, ongemakkelijk zittend aan de kaptafel met een handdoek over de spiegel gehangen. Terwijl buiten de zon verpletterend scheen zat hij zwetend binnen en schreef Ga weg, ga weg, zei de vogel (1971), een novelle over een dove man in een grijze morsige huurkazerne die zich verbeeldt alles te horen wat er gezegd wordt in het gebouw, ja zelfs wat er gedroomd wordt hoort hij.

Die tijd was voorbij en Kossmann werd de lezer die hij ongetwijfeld altijd al was, en schreef voortaan thuis, over zijn ongeluk (Laatst ging ik spelevaren (1973)), over wat hij las (De seizoenen van een invalide lezer (1976)) en over wat hij dacht en verzon, een stuk of acht romans. 'En zo, langzamerhand, verdwijnt het leven van de schrijver in zijn werk.'