Monument voor hond

Ongeveer een jaar geleden vroeg ik mij af of Guus Kuijer met Tin Toeval en de kunst van Madelief - dat meer van een grapje dan van een boek heeft - de kinderboekenwereld voor goed de rug had toegekeerd. Dat ik ongelijk heb gekregen is te danken aan 's schrijvers buitengewoon ongewone Airedaleterrier Olle. Vanaf de omslag van het naar hem genoemde boekje kijkt hij de lezer met scheve kop aan. En nog zonder een regel gelezen te hebben is het duidelijk: daar kun je een boek over schrijven.

Guus Kuijer: Olle. Uitg. Querido. Prijs fl. 21,90.

Olle is niet zo maar een hond die eet, slaapt, vrijt en een beetje om zich heen bijt en blaft. Nee, hij is een onafhankelijk, eigenzinnig type, dat z'n eigen neus achterna gaat, kortom: een typische Kuijerhond, allergisch voor de gebruikelijke autoritaire benadering in ultrakorte zinnen als 'lig' of 'zit'.

Hij reageert alleen op vriendelijk toespraakjes: 'Ga maar lekker liggen jongen, anders word je zo moe'. Woeste spelletjes met een bal kunnen hem gestolen worden en hoe het moet met een vrouwtje blijft voor Olle een raadsel. Hij komt niet verder dan wat verliefd gespring op de verkeerde plekken en zijn loopse aanbedene wordt moe van haar staart ophouden.

Olle graaft zich in onder de struiken om ongestoord te kunnen dromen, hij steekt zijn neus in de lucht - 'het ruikt neusverdovend naar voorjaar' - en 'leest de wind zoals wij een boek lezen', maar het meest bijzondere is toch wel dat hij praat. Wanneer zijn echtgenote dat ontdekt wil de schrijver er eerst niet aan, want 'ik wilde een gewone man zijn, met een gewone vrouw en een gewone hond.' Maar hij moet zich wel gewonnen geven en leert leven met de hondse werkelijkheid: 'Ik was een krankzinnige man, met een knotse vrouw en een idiote hond.'

Elke baas kent de momenten waarop hij zeker weet dat zijn viervoeter iets grappigs of belangwekkends te berde zal gaan brengen. De woorden worden het beest in de bek gelegd en Kuijer gaat nog een stapje verder, hij schrijft ze op. Dat levert eenentwintige geestige, ontroerende en wijze observaties op en net als Eend voor eend, Kuijers fraaie overpeinzingen aan de kant van de sloot, gaat Olle evenzeer over mensen als over dieren. Volgens de auteur zijn ze zelfs broertjes en zusjes van elkaar.

Olle heeft niet zo'n hoge dunk van zichzelf, hij tobt over het wereldleed en houdt zich het liefst wat afzijdig van het gewoel. Baas en hond vallen helemaal samen wanneer ze op een tevreden zomerdag in de tuin wat zitten na te denken - 'maar niet te diep' - en in vriendschappelijke verwondering elkaars vreemde gewoonten doornemen. Mooi zijn Olles oud en stram worden en zijn einde bij de dierenarts: 'De dokter gaf hem zijn laatste spuitje en Olle zuchtte zijn leven naar buiten. Het was maar een klein zuchtje.' Dat kan Kuijer als weinig anderen: een grote emotie zo klein beschrijven dat hij groot blijft.

Heel even zit de auteur zijn hond ernstig in de weg, waar hij zich weer eens nadrukkelijk moet afzetten tegen de volwassen wereld. Over een pratende hond kun je uitsluitend voor kinderen schrijven legt Kuijer uit, daar hoef je bij volwassenen niet mee aan te komen. Alleen als de lezer getikte ouders heeft kan hij dit boek rustig laten rond slingeren. Wat een flauwe, kunstmatige en overbodige scheidslijn. Houden van dieren en van goed en liefdevol geschreven verhaaltjes over dieren is leeftijdloos.

Zulke leukigheid vormt een ontsiering van het kleine monument voor een hond dat de schrijver blijkens zijn eerste zinnen wil oprichten: 'We kochten Olle toen hij drie maanden oud was. Hij is nu dertien jaar. Als je een hond zo lang hebt, vergeet je dat je hem hebt gekocht. Het lijkt alsof hij er altijd is geweest. Nu is hij oud en zijn einde nadert. Ik schrijf dit boek omdat ik niet wil dat hij doodgaat.' Ongetwijfeld zal Olle niet alleen in Kuijers hart voortleven.