Lichtpunten in Plato's grot; Een archeologie van het Griekse denken

Charles Vergeer: Eerste vragen. Over de Griekse filosofie. Uitg. Sun, 198 blz. Prijs fl. 29,50.

Kinderen stellen zich bij alles vragen. Daarom zijn zij de enige echte filosofen. In de Timaeus zegt een Egyptische priester meewarig tegen de Griekse politicus Solon: 'Jullie Grieken zijn eeuwige kinderen.' Uit dit gezegde klinkt de minachting van grijze ervaring voor prille onwetendheid. En toch is de filosofie niet in het wereldwijze Egypte ontstaan, maar in het nieuwsgierige Griekenland. Aan het begin van de filosofie staat immers, zoals Socrates, Plato en Aristoteles wisten, niet zekerheid, maar verwondering.

Een soortgelijke verwondering is het blijkbaar die Charles Vergeer, docent filosofie aan de Hogeschool Eindhoven, ertoe gedreven heeft de oorsprongen van het westerse denken opnieuw te bekijken. De studie Eerste vragen is daarvan het resultaat. Voor wie de traditionele handleidingen over de geschiedenis van de Griekse wijsbegeerte kent is dit een verwonderlijk boek.

De meeste van die handboeken lijken immers als klonen op elkaar. Telkens weer wordt aangetoond hoe in Hellas voor het eerst de rede (de logos) het heeft gewonnen van het verzinsel (de muthos). Zo'n visie is ingegeven door de filosofie van de Verlichting. Door het Griekse denken te beschouwen als een eerste poging om tot het moderne rationalisme te komen, projecteren wij in feite onze eigen problematiek op een verre en vreemde denkwereld. De Grieken zelf zouden waarschijnlijk stomverbaasd zijn als zij zichzelf door onze vervormende bril zouden kunnen bekijken.

Charles Vergeer, die in 1987 promoveerde op een kritische studie over de duistere Heraclitus, probeert nu ook andere Griekse filosofen van dit soort projecties te bevrijden. In zijn voorwoord stelt hij zijn opzet in het teken van onderzoekers als Nietzsche, Freud, Heidegger en Foucault, allemaal mensen die het droombeeld van een rationeel, klassiek Hellas hebben verbroken. Vooral de Foucault van L'archeologie du savoir met zijn discontinue opvatting over de geschiedenis lijkt inspirerend gewerkt te hebben. In zekere zin is Vergeers boek een 'archeologie van het Griekse denken': een graaftocht naar de verwondering van bijna 3000 jaar geleden.

Interpretaties

De moeilijkheden van zo'n onderneming zijn niet te onderschatten. Om te beginnen is het materiaal dat ons ter beschikking staat heel summier. Van het werk van Anaximander zijn volgens de standaarduitgave van Diels-Kranz hooguit vijf fragmenten bewaard. De citaten zijn vaak tweedehands of zelfs derde- of vierdehands. Zo schreef Theophrastus een overzichtswerk over de presocratici, dat verloren ging. Een uittreksel hiervan ging op zijn beurt verloren, alsook een uittreksel van dit uittreksel. Ten slotte bleven slechts enkele zinnetjes bewaard in compilaties als die van Stobaeus.

De interpretatie stuit op soortgelijke hinderpalen. Veel van het materiaal wordt geciteerd door auteurs die de oorspronkelijke uitspraken bestrijden of ze in een eigen systeem willen inpassen. De neoplatonicus Simplicius (zesde eeuw) bij voorbeeld ging in op de leer van Anaximander, die elfhonderd jaar eerder leefde. Begreep deze Byzantijn die archaische teksten nog goed? En wilde hij dat wel, als zijn stelling was dat alle Griekse filosofen eigenlijk verkapte platonici waren?

Maar de grootste moeilijkheid is misschien wel dat vele Griekse filosofische termen en begrippen nog altijd een rol spelen in ons denken, terwijl hun inhoud in de loop der tijden al keer op keer veranderd is. Wie het Griekse woord 'aletheia' door 'waarheid' vertaalt, interpreteert het noodzakelijk verkeerd. De 'aletheia' is etymologisch de 'onverborgenheid' en wijst op de werkelijkheid. Bij Aristoteles wordt zij een gebleken werkelijkheid, in de scholastieke wijsbegeerte een overeenstemming tussen dingen en gedachten; bij Descartes een subjectieve zekerheid; in de moderne logica een eigenschap van uitspraken. Zo verspringt telkens weer de inhoud van het begrip. Door onze opvatting over de waarheid in de Griekse teksten te lezen, begrijpen wij die fundamenteel verkeerd. Hetzelfde geldt voor onze interpretaties van praktisch alle kernbegrippen en -problemen uit deze filosofie.

Ad fontes: terug naar de bronnen. Met dat adagium predikte de renaissance een terugkeer naar de klassieke oudheid. De term bron suggereerde dat het oude denken in een ononderbroken stroom naar ons kan vloeien. Vergeer laat zien dat daarvan geen sprake kan zijn. De bron die hij zoekt is er een die al in de oudheid verzand is: het is geen bron van herkenning, maar een van verwondering.

Analyses

De optie van de auteur verklaart de ongewone vorm van het boek. Bij hem geen serie filosofenportretten met obligate anekdotes (zoals onlangs nog in de amusante Geschiedenis van de Griekse filosofie van Luciano de Crescenzo), wel nauwkeurige analyses van slechts enkele uitspraken, die exemplarisch zijn voor het denken van een filosoof. Zo wordt bijvoorbeeld de bespreking van Heraclitus opgehangen aan de vrij onbekende uitspraak 'Phusis kruptesthai philei'. Vergeer maakt duidelijk hoe een vertaling als 'De natuur verstopt zich graag' woord voor woord de oorspronkelijke betekenis verraadt.

Op deze manier worden vele, soms kapot geciteerde, uitspraken gedemythologiseerd. Een mooi voorbeeld is de analyse van de eerste zinnen van de beroemde allegorie van de grot bij Plato. De vertalers blijken die grot veel duisterder voor te stellen dan de tekst het toelaat, omdat zij onbewust beinvloed zijn door latere interpretaties van het platonisme, die onze wereld tot een soort hellekrocht maken.

Mijns inziens gaat Vergeer wel eens te ver in zijn kritiek. Zo laat hij de bekende uitspraak van Protagoras 'de mens is de maat van alle dingen' het omgekeerde betekenen van haar gangbare interpretatie. Wie de context bij Plato (Theaetetus 152) bekijkt, kan mijns inziens moeilijk deze zienswijze delen. Vergeers nieuwe analyse heeft te maken met zijn diverse malen herhaalde bewering dat de Grieken tot Plotinus geen 'ik-besef' (p. 99) hadden en dus subject en object niet tegenover elkaar plaatsten zoals wij (p. 134). Dat je geen begrip subject hebt, betekent evenwel niet dat je geen ik-besef hebt; dat 'ik' zit trouwens stevig in de Indo-europese talen ingebakken. De vraag is of Vergeer de Griekse mens niet primitiever voorstelt dan hij in feite was. Iemand als Protagoras was zeker geen dorpswijze in een traditionele boerengemeenschap, maar een veelbereisd, drukbezet en zelfbewust communicatiedeskundige.

Wat zich hier wreekt is dat Vergeer geen analyse geeft van de functie die de filosofie in de Griekse samenleving innam. Op de maatschappelijke dimensie van ideeen wordt alleen in verband met de voor ons onbegrijpelijke houding van Aristoteles tegenover slaven, vrouwen en kinderen ingegaan. Voor de rest blijven de filosofische uitspraken in een sociologisch luchtledige rondzweven. Vreemd, want hoe kan je woorden buiten hun context interpreteren?

Enkele schrijffoutjes (Pharsalis, Chamaleon, Philolaeus, Alceste, Kolonnos) wil ik graag op rekening van verstrooidheid schrijven, maar merkwaardig vond ik wel dat iemand die zich met Griekse taalanalyse bezighoudt tot driemaal toe het eenvoudige woordje 'gar' als 'echter' in plaats van als 'immers' interpreteert (p. 58, 63, 100). Dat alles neemt niet weg dat Eerste vragen een boek is dat zelfs specialisten in de Griekse filosofie tot nadenken zal stemmen, en misschien zelfs tot verwondering.