Juffertjes die langzaam zoenen; Gedichten van Leendert Witvliet

Leendert Witvliet: Verstrooid bericht. Uitg. Bert Bakker, 44 blz. Prijs fl. 19,90.

Leendert Witvliet durft zijn bundel Verstrooid bericht te openen met het volgende gedicht:

Zomer Deze zomer tegen de hoopvolle gouden regen gezeten met elkaar toen de ramen open stonden weer vergeten dat ik alles moest onthouden alles wat als lichte veren gaat Dit schamperen is niet moeilijk. Moeilijker is het om zo'n gedicht te schrijven, en nog moeilijker is het om een bundel lang zo geraffineerd langs allerlei afgronden te blijven scheren. Wie de overige 32 gedichten gelezen heeft, kan in 'Zomer' gemakkelijk de programmatische aankondiging van de rest zien. Witvliet is niet een dichter van sterke verzen, maar van lichte gedichten die achter elkaar gelezen moeten worden en dan bewondering afdwingen: omdat ze zelden vervallen in onversneden nostalgie en ook niet in opzettelijke vaagheid, de twee gevaren die bij dit soort poezie voortdurend op de loer liggen. Er is, in de woorden van het openingsgedicht, de neiging om alles te onthouden, het besef alles te moeten onthouden en vast te leggen - maar de dichter lijdt gelukkig ook aan de onbekommerde neiging om soms alles weer te vergeten. Witvliet houdt beide kanten mooi in evenwicht, in gedichten die onvermijdelijk iets vastleggen, maar tegelijk zo vrij van syntaxis, interpunctie en andere vormvoorschriften zijn dat ze lijken te dwarrelen: als lichte veren dus.

Witvliets vasthoudendheid laat zich aflezen aan titels als 'Zomer', 'Een zondagmiddag', 'Maandag', 'Middagbestek', 'In de tijd' en aan talloze tijdsaanduidingen in de gedichten zelf, of het nu 'op een middag/ onder de strakblauwe parasol/ van augustus' is of 'op een winderige dag in november'. Ook de plaatsen dienen nauwkeurig vermeld te worden. Deze gedichten spelen zich vooral af in Groningen, zowel Stad als Ommelanden, met uitlopers naar de Eemshaven, het wad, Noordoost Duitsland, Denemarken - en meer in het algemeen in een landelijke, licht arcadische omgeving met boerenhoeven, weiden, koeien, hekwerk, sloten en paarden. Daar komt men nog 'juffertjes in gele jurken' tegen die langzaam zoenen. Als Witvliet in zo'n decor ook nog eens jeugdherinneringen op gaat halen of stil gaat staan bij een familiefoto, is het sentiment niet ver weg. In de verte horen we dan bij wijze van spreken al een kar ratelen over de keien en zien we de contouren van een slagerij J. van der Ven opdoemen, zoals reeds bezongen door Wim Sonneveld in 'Het dorp'.

Wegwezen

Belandt Witvliet in de grote stad, wat hem in deze bundel tot twee keer toe overkomt, dan is het motto: wegwezen. In Londen ligt een vrouw op het trottoir, weigert hulp, staat op en loopt zomaar 'door een rood stoplicht'. In Troyes is het ook al vergeven van de bedelaars, zwervers en dronkelappen die met de dichter dagelijks kunnen constateren: 'niets past in een groots verband hier'.

Het aardige van Witvliets poezie is dat het grootse verband op het platteland ook niet meer te vinden is. Hoogstens dient zich af en toe even een vluchtig verband aan. 'Alles was vrede/ en iedereen was er nog, / al was het aan de rand' heet het in een weemoedig gedicht, maar meestal is 'alles' al niet zo overzichtelijk meer. Blad verwaait, tijd vervliegt, 'bladeren vallen in haar geest en dwarrelen/ weer weg' en elders 'waaien zinnen als fragmenten', want ook de syntaxis is in de verstrooiing opgenomen. De mooiste zin in dit verband is wel de volgende, waarin berusting en haast door elkaar gaan lopen: 'Maar alles gaat, schrijf/ opgejaagde, voort, aandachtige geschiedschrijver'.

Het valt te begrijpen dat een dichter die zich zo opgejaagd voelt door het vlieten van de tijd graag vlucht in vergetelheid en onzichtbaarheid. (Je zou de naam van de dichter bijna als betekenisvol pseudoniem gaan opvatten). Dat verklaart mogelijk ook waarom Witvliet als dichter zo onzichtbaar is gebleven, en waarom hij zo weinig voortgang boekt. Meer dan de helft van de verstrooide berichten in Verstrooid bericht was al, vrijwel ongewijzigd, te vinden in het bundeltje Nooit genoeg voor een brief, uit 1982. Daartoe behoort niet dit mooie, bijna hilarische gedicht. Het beschrijft een situatie die voor Witvliet misschien wel de dichterlijke situatie bij uitstek is, de overtocht met een veer in dichte mist:

EEN VEER,

KLEINENSIEL - DEDESDORF

Een ronkende vrachtauto vooraan wacht,

de chauffeur denkt aan een kwartier varen,

er is nog geen boot te zien.

De kaarten gekocht op het veer,

gevaren in de mist, de natte mist

over het water geen overkant geen deze kant,

in de grijze mist wat stilstaande auto's,

een hokje waar damp van etenswaar uitslaat,

in de golven van de rivier moet de voort-

gang te zien zijn, de vaart van de boot,

we gaan ergens heen, en alles

is in deze mist hetzelfde,

zing het lied van de kapitein op de brug.

De rivier stroomt onder de boot,

een paar chauffeurs roken en overleggen,

er is geen bemanning, de kettingen los.

In de mist is er even geen overkant en geen deze kant, even valt niet uit te maken of het veer nu over de rivier gaat of de rivier onder het veer door, en even hoeft er niet gekeken en geduid te worden. Het leidt tot een zeldzaam moment van vrijheid en onbevangenheid: zonder bemanning, met de kettingen los.