Ik in Spanje; Debuut van Mariet Meester

Mariet Meester, Sevillana. Uitg. Meulenhoff, 217 blz. Prijs fl. 34,50.

Er heersen in Spanje mysterieuze krachten en de hoofdfiguur in het debuut van Mariet Meester kan erover meepraten. Haar grootste ontdekking is 'duende', een kracht die soms optreedt bij het creatieve proces. Door die kracht wordt het onderscheid tussen schepper en het geschapene opgeheven. De zigeuner Jaime die haar dit uitlegt, zegt erbij dat elke diep doorleefde emotie duende heeft. Een goed stieregevecht heeft het en een mooi orgasme ook. Kwaliteit dus, denk je even, maar dan tikt de vertelster je onmiddellijk op de vingers: 'Kwaliteit is een te oppervlakkig begrip.' Het mag van haar wel bezieling genoemd worden, als er maar goed wordt begrepen dat duende nooit vanzelf komt maar bevochten moet worden. Het beroerde is dat het ook niet komt als de schepper zich bewust is van dat bevechten: 'Het zoeken is op dat moment een blokkade voor het vinden.' Duende betekent van huis uit niet voor niets plaaggeest, en mysterieus is het zeker.

Na de lofzang op duende vraag je je onwillekeurig af of die kracht ook bij het schrijven van dit boek is opgetreden. Ik ben bang van niet. Misschien is er in dit geval te sterk en te bewust voor gevochten en heeft de gevreesde blokkade zich doen gelden. De vertelster zelf is overigens allerminst geblokkeerd. Ze laat zich volkomen gaan en zet op de eerste bladzijde een woordenstroom in beweging die af en toe vertraagd wordt als er iets is dat uitleg behoeft - zoals duende dus, of de functie van een processie of het doden van dieren - maar die daarna weer met verdubbelde vaart voortraast.

Het begrip duende kon zo'n overweldigende indruk op de vertelster maken omdat ze erg met zichzelf in de knoop zat. Ze voelde zich volkomen leeg en hongerde naar spiritualiteit. Ze wilde maar steeds dat haar ego werd afgebroken. Door al dat gepraat en gedenk over het ik is het verhaal een grote egotrip geworden. Alles in dit boek draait om het ik, en op een weinig verrassende manier. Wie onder ons heeft ook niet een grote hekel aan schijnheiligheid en geweld, en wie kent het gevoel van leegte niet? Mariet Meester had de situatie van haar ik-figuur relief kunnen geven door meer en interessantere tegenspelers om haar heen te zetten. Nu zijn het er maar twee, allebei mannen, en ook zij doen je nooit opkijken van verrassing.

De twee mannen dienen in de eerste plaats om informatie te geven over typisch Spaanse verschijnselen. De een heet Isidoro, is cultureel antropoloog en vertelt over de diepe betekenis van de processie. De vertelster, die er een heel andere opinie over had, laat zich zonder slag of stoot overtuigen, waarschijnlijk omdat ze Isidoro zo aantrekkelijk vindt. 'Wat een man!', denkt ze, en even later ziet ze hun gesprek zelfs uitsluitend in seksuele termen: 'Volgens mij was dat een intellectueel orgasme, jouw uitstoot van theorie die ik in me opnam.' Wat een idee, denk ik dan. Hij noemt haar 'meisje' en dat mag niet. Als minnaar is hij helaas weinig waard. De ander is de Jaime van de duende. Wat hij verder over de mens en de natuur vertelt, is bijzonder oude koek. De vertelster trekt een tijdlang met hem op en hij blijkt een zeer goede minnaar. Op het hoogtepunt noemt zij hem 'jochie'. Dat mag wel. Zichzelf noemt ze soms 'wijffie'.

Op het taalgebruik in dit boek staat al even weinig rem als op de ikkerigheid. Het ongelukkige beeld van die uitstoot van theorie is maar een van de vele voorbeelden van een onhandige en geforceerd populaire stijl. Wat Mariet Meester wel kan is de kleur en de beweging van mensen beschrijven en de sfeer van de stad en de processie overbrengen. Het mooist zijn haar observaties van het ezeltje Sevillana dat haar naam aan het boek heeft gegeven. Als Mariet Meester verdere literaire plannen heeft, zou ze haar opgeschroefde stijl tot rust moeten laten komen en ook niet aan een stuk door schrijven met het hart op de tong.