Hoe ver reikt de arm van de zaaier; De invloed van Vincent van Gogh op de moderne kunst

Van Goghs kunstenaarschap is een onuitputtelijke bron geweest voor de volgende generatie kunstenaars. Dat is nu te zien op de tentoonstelling Vincent van Gogh en de Moderne Kunst in Amsterdam waar werken van onder meer Jawlensky, Kandinsky en Nolde, Picasso, Mondriaan, Munch en andere grootheden bij elkaar te zien zijn op een expositie.

Zo mooi als het Van Goghjaar in maart begon met de herdenkingstentoonstelling in Amsterdam en Otterlo, zo mooi eindigt het met de tentoonstelling Vincent van Gogh en de moderne kunst. Ze kwam tot stand in samenwerking met het Folkwangmuseum in Essen en was eerst daar te zien; nu is ze tot 18 februari 1991 in het Van Goghmuseum in Amsterdam. Het is een soort vlootschouw van moderne stromingen van omstreeks de eeuwwisseling tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, met als verbindend element de invloed van Van Gogh. De tentoonstelling is met ongeveer 140 werken nog net van een omvang dat de aandacht gespannen blijft. Ze bevat een aantal meesterwerken van Jawlensky, Kandinsky en Nolde, Derain, Van Dongen, Matisse en Picasso, Mondriaan, Munch en andere grootheden zoals je in ons land slechts zelden bij elkaar ziet. Ook Van Gogh zelf biedt, naast veel vertrouwds uit het Amsterdamse museum en uit museum Kroller-Muller, nog verrassingen. Schilderijen zoals het laatste zelfportret, uit een particuliere collectie, en het grote Huizen in Auvers uit Boston zouden met ere een plaats hebben kunnen innemen in de selecte herdenkingstentoonstelling eerder dit jaar.

Vincent van Gogh en de moderne kunst is een lust voor het oog en zo kan de tentoonstelling ook het best genoten worden. Of ze ook volledig waarmaakt wat door de titel wordt geimpliceerd en in de catalogus wordt uitgesproken (dat Van Gogh de spreekwoordelijke vader van de moderne kunst is) lijkt me echter de vraag. Bij het zien van de tentoonstelling moest ik denken aan een anekdote over Barnett Newman. Toen hem eens in een gesprek het vaderschap werd toegedicht van een nieuwe stroming in de Amerikaanse kunst, antwoordde hij hoffelijk dat hij niet de eer had de moeder te kennen. Voor conceptie is nu eenmaal meer nodig dan een persoon, in het leven en in de kunst. Om die bevruchtingsmetaforiek in Van Goghiaanse termen te vertalen: de tentoonstelling presenteert Van Gogh min of meer als de zaaier die het zaad heeft gezaaid waaruit de moderne kunst tot wasdom is gekomen - precies zo, als zaaier, werd hij typerend genoeg ook voorgesteld in de vignetten die Toorop en Thorn Prikker in 1893 ontwierpen voor het nummer van het Belgische tijdschrift Van Nu en Straks dat, in de woorden van redacteur Henry van de Velde, bedoeld was als 'een gedenkteeken - ter verheerlijking van Vincent van Gogh'. Ongetwijfeld is zijn bevruchtende werking op het doen en denken van kunstenaars in de jaren kort voor en na de eeuwwisseling zeer groot geweest. Maar als je de kunst van die rijke periode nuchter bekijkt, dan moet je je tevens afvragen wat er al op die akkers groeide waarop Van Gogh zaaide, en wat er door anderen aan het zaad is toegevoegd, rechtstreeks of via Van Gogh. Het probleem is, hoe maak je zo'n ingewikkelde zaak aanschouwelijk in een tentoonstelling?

'Invloed' is een veel gebruikte en misbruikte term in het kunstjargon die staat voor uiteenlopende verschijnselen. Nu eens heeft hij betrekking op de sporen van afhankelijkheid die kunstenaars in hun werk vertonen ten opzichte van een (doorgaans, maar niet altijd bewonderd) voorbeeld: hetzij in de keuze van een onderwerp, hetzij in de specifieke wijze van voorstellen van een onderwerp (de houding van een figuur, de opbouw van een landschap, maar ook compositie, vorm en kleur), hetzij in de technische uitvoering (materiaalgebruik en handschrift). Dan weer wordt de term gebruikt voor theoretische noties die een kunstenaar ontleent aan een ander, ideeen, idealen of een bijzondere opvatting van het kunstenaarschap. Een complicerende factor is overigens dat het fenomeen invloed in de loop der tijden nogal wisselend is gewaardeerd. De bereidheid van kunstenaars om uit te komen voor de invloeden die ze hebben ondergaan is evenredig afgenomen met de opwaardering van oorspronkelijkheid die in de negentiende en twintigste eeuw haar beslag heeft gekregen.

Kunstkritiek en kunstgeschiedschrijving danken wellicht voor een deel hun slechte naam aan de dubieuze manier waarop ze met het begrip invloed omgaan. Terwijl de kritiek vaak achteloos strooit met de term, worden in sommige kunsthistorische literatuur minuscule voorbeelden van beinvloeding geanalyseerd met een ijver en een acribie alsof het de oplossing van het wereldraadsel betreft, of, wat vaker voorkomt, wordt over invloeden gesproken alsof het om de dosering van ingredienten voor een maaltijd gaat: kunstwerken volgens recept. Ik chargeer wat, maar ik wil er mee zeggen dat het op beide gebieden nogal eens ontbreekt aan zinnige discussie, zowel over het fenomeen invloed zelf als over de context waarbinnen het functioneert.

Dat verwijt kan de samenstellers van de tentoonstelling Vincent van Gogh en de moderne kunst niet gemaakt worden. Ze geven in de catalogus blijk van een genuanceerde opvatting van het begrip invloed en proberen daarover in het geval van Van Gogh zo concreet mogelijk te spreken. Dat de catalogus desondanks te wensen overlaat, ligt vooral aan het ontbreken van een strakke regie. Maar liefst tien verschillende auteurs hebben teksten geleverd die, hoe informatief ook, niet allemaal zijn toegesneden op het eigenlijke onderwerp. De werken van Van Gogh bijvoorbeeld hebben per stuk een uitvoerige entry gekregen, zoals dat in goed Nederlands heet, maar die entries gaan over de stilistische en thematische aspecten van de werken zelf en niet of nauwelijks over de relevantie van de keuze voor het specifieke doel van de tentoonstelling, het aantonen van de invloed van Van Gogh.

De werken van de beinvloede kunstenaars moeten het helaas zonder entry doen. Ze worden behandeld, maar soms ook niet meer dan terloops genoemd, in teksten over de kunstenaars die per land en per stroming zijn geordend. Wat veelal ontbreekt is een gedetailleerde argumentatie van de invloed die in de afzonderlijke werken zichtbaar zou zijn, een argumentatie die toch zeer wenselijk is ter ondersteuning van de relaties die in de tentoonstelling worden gelegd.

Speculatief

Om een voorbeeld te noemen: op de voorzijde van de catalogus prijkt een reproductie van Kandinsky's mooie schilderij Slaapkamer in de Ainmillerstrasse uit 1909, op de achterzijde staat een van de versies van Van Goghs befaamde Slaapkamer van Vincent uit 1888 afgebeeld. Ook in de tentoonstelling zijn die werken bij elkaar gehangen, nog aangevuld met een Slaapkamer van Derain uit ca. 1901 en een zeer fraai Beeldhouwersatelier van Jan Sluyters uit 1909. De suggestie is duidelijk, maar in de catalogus wordt bij Kandinsky en Derain met geen woord gerept over een mogelijke invloed van Van Goghs schilderij, en bij Sluyters slechts op een voorzichtige en speculatieve manier. De relatie komt me trouwens niet erg overtuigend voor. Er heeft de hele negentiende eeuw door, vooral in Duitsland, een traditie bestaan in het weergeven van de woon- en werkomgeving van de kunstenaar als een geheiligde plek of anderszins als een afspiegeling van de kunstenaarspersoonlijkheid, een traditie waarin genoemde werken passen ook zonder afhankelijkheid van Van Gogh. In het geval van Derain en vooral van Sluyters is een relatie met interieurs van Nabis zoals Bonnard, Vallotton of Vuillard aannemelijker dan met Van Goghs Slaapkamer. Ook andere thematische samenhangen die in de tentoonstelling door de wijze van inrichten worden gesuggereerd - tussen figuurstukken van Van Gogh en Picasso bijvoorbeeld, of tussen Van Goghs scheepjes en die op een heel lelijk schilderij van De Vlaminck - lijken me nogal gezocht. In het algemeen kan gezegd worden dat Van Goghs werk thematisch niet zo bijzonder is dat de kunstenaars in dat opzicht zoveel aan hem te danken hebben gehad.

Heel anders ligt dat op formeel en technische gebied. In de weergave van ruimte en perspectief, in de compositie, in de kleur en in het handschrift heeft Van Gogh ongelooflijk gedurfde dingen gedaan, en daarvan ging grote aantrekkingskracht uit op kunstenaars na hem, vooral op de fauves en expressionisten. Dat komt in de tentoonstelling overtuigend tot uiting in schilderijen zoals Hengelaar van De Vlaminck, het vroege Zelfportret van Jawlensky en in de werken van de schilders van Die Brucke, die zeer goed gekozen zijn. Je moet er alleen als toeschouwer meer moeite voor doen om die verbindingslijnen te ontdekken dan om de makkelijke suggesties van thematische verbanden te volgen. De tentoonstelling vraagt om zelfwerkzaamheid als je er meer van wilt meenemen dan de herinnering aan een groot aantal oogverlustigende schilderijen.

Tot die zelfwerkzaamheid behoort ook - en nu kom ik weer terug bij het begin - dat je probeert je te realiseren wat er buiten het vaderschap van Van Gogh verder nog van belang is geweest voor de vorming van de kunstenaars die de nieuwe bewegingen in de kunst van het begin van deze eeuw in gang hebben gezet. Van Goghs invloed was niet altijd direct en onversneden; hij kwam soms via tussenpersonen - Jawlensky bijvoorbeeld voor Kandinsky en andere schilders in Munchen. Vaak ook waren de impulsen van Van Gogh bijna onlosmakelijk verbonden met die van andere impressionisten en post-impressionisten, niet alleen van hele groten zoals Cezanne en Gauguin maar ook wel van mindere goden of van jongere kunstenaars. Voor de schilders van Die Brucke is in de periode omstreeks 1906 het (Frans georienteerde) werk van Cuno Amiet en in de figuurstukken, die in Amsterdam ontbreken, vooral het werk van Munch van belang geweest, terwijl al spoedig daarna ook de invloed van fauves zoals Matisse en Van Dongen zich deed gelden; dat laatste gebeurde trouwens vrijwel gelijktijdig bij de schilders die later in Munchen 'Der blaue Reiter' zouden oprichten. De catalogus geeft van dit alles wel het nodige aan en vormt daarmee een nuttige aanvulling op het onvermijdelijk eenzijdige beeld dat de tentoonstelling oproept, maar de Van Gogh-invloed blijft toch ook in de catalogus wat geisoleerd: losse draden in het weefsel van post-impressionisme en nieuwe stromingen dat zo typerend is voor de kunst van omstreeks de eeuwwisseling tot aan de Eerste Wereldoorlog.

Grande parade

Vincent van Gogh en de moderne kunst bevat in de proloog werk van enkele minder bekende kunstenaars (Roderic O'Conor, Rene Seyssaud en, nogal verloren, Suze Robertson) maar verder is de tentoonstelling een grande parade van nationale en internationale coryfeeen uit het begin van deze eeuw. Natuurlijk had de lijst van namen nog aanzienlijk uitgebreid kunnen worden, maar dat had dan weer afbreuk gedaan aan de duidelijkheid en coherentie van de tentoonstelling. De beperking tot deze 'gemeenschap van grote geesten' onder het patronaat van Van Gogh is dus op zichzelf beschouwd een verstandige. Toch proef ik in de selectie van kunstenaars en kunstwerken ook iets van een esthetisch parti-pris. De tentoonstelling is samengesteld conform de huidige smaak voor heldere, kleurige schilderijen (waaruit ook de populariteit van Cobra valt te verklaren). Dat is echter niet het hele verhaal van de invloed van Van Gogh op de eerste generatie kunstenaars na hem. Die invloed kent ook minder zonnige, duisterder kanten, die in de tentoonstelling onzichtbaar blijven - nogmaals, een zinnige beperking - maar die ook in de catalogus nauwelijks ter sprake komen. Om er enkele aan te duiden: de invloed van Van Gogh is niet pas tegen 1900 van kracht geworden, toen 'de nevel van het literaire symbolisme begon op te trekken', zoals in de catalogus wat tendentieus wordt gesteld. Hij is ook, zij het meer incidenteel, in dat zogenaamde literaire symbolisme zelf merkbaar, in Nederland bijvoorbeeld in een werk als de litho Anangke van Roland Holst uit 1892, en waarschijnlijk in de tekenstijl van Toorop en Thorn Prikker in dezelfde periode. Beide kunstenaars zijn in de tentoonstelling alleen met later, kleurig werk vertegenwoordigd.

Tot een volgende invloedssfeer behoren de kunstenaars in de kring die H. P. Bremmer om zich heen verzamelde, met Bart van der Leck als belangrijkste representant. Vooral diens realistische tekeningen met sociale thema's vanaf omstreeks 1906 zijn ondenkbaar zonder Van Gogh, en hetzelfde geldt voor het werk van Chris Beekman en anderen. De catalogus van een deel van de nalatenschap van Bremmer die op 12 december a.s. bij Christie's wordt geveild vormt, toevallig, een interessante aanvulling op de tentoonstelling in het Van Goghmuseum. In beide gevallen hebben Van Goghs tekeningen, en dan vooral die uit zijn Nederlandse jaren, inspirerend gewerkt op jongere kunstenaars. Tenslotte kunnen ook nog lijnen worden doorgetrokken naar het begin van de abstracte kunst, kort na 1910. In de kosmische verbeeldingen van de Duitser Wilhelm Morgner of in ons land Jacoba van Heemskerck zijn, meer of minder versneden, onmiskenbaar sporen van Van Goghs invloed aanwezig.

Van Goghs kunstenaarschap is kortom een onuitputtelijke bron geweest voor de volgende generatie kunstenaars, in een breder verband nog dan de indrukwekkende tentoonstelling in Amsterdam laat zien. Zijn realiteitszin en zijn geexalteerdheid, zijn revolutionaire inventies op formeel en technisch gebied, hebben de kunst van een heel tijdperk doordesemd.