Het volkomen huwelijk

Kijk eens wat ik voor de deur vond, ben ik dan geen goede speurhond? 'k Denk dat ik 't op de geur vond, zei de speurhond tot de specht.

't Zijn twee zware gouden kronen, daarmee wil men ons belonen Voor grensverleggend samenwonen, 'k heb ze op de kast gelegd.

Ja, er is een grens verlegd, dat mag heus wel eens gezegd: Toen we elkander leerden kennen was het zeker even wennen;

Andere honden zeiden: spechten? dat wordt kibbelen en vechten. Want een specht laat zich niet knechten.

Maar ik ben aan jou gehecht. Jawel, beaamde toen de specht, en dat is ook heel terecht;

't Is soms nemen en soms geven, met een speurhond samenleven: Hij loopt altijd maar te snuffelen, ook als 'k liever wat wil knuffelen. - Valt er hier nog wat te buffelen? is wat hij dan tot mij zegt.

Zijn geest is warrig als een vlinder, toch bemin ik hem niet minder, Ja, dat blaffen, dat geeft hinder, maar zijn inborst is niet slecht.

Ik heb hem wel eens grof gevonden, dat heb je wel meer met honden, Maar ik voel me toch gebonden, zij het dan in wilde echt. Er zijn dalen maar ook toppen, sprak de specht tussen twee kloppen, 't Is ook te laat om nog te stoppen, want dan raak ik zo onthecht.

Dat is nu het gemengde huwelijk. Zonder hem is 't leven gruwelijk, En alleen zijn is afschuwelijk; daarmee is het pleit beslecht.

Gaat er bij otters in als koek.

Geen otter blijft volkomen kalm