Het uitzicht

Op welke verdieping bevindt zich deze kamer? Die vraag is makkelijk te beantwoorden, kijk maar eens uit het raam. De huizen aan de overkant zijn drie verdiepingen hoog en toch zie je duidelijk de daken. Dan moet deze kamer wel op de vierde of vijfde etage van een flatgebouw liggen. Anders kijk je niet zo schuin op de stad.

Een andere vraag: hoe lang is de weg? Dat is moeilijker te schatten. Het lijkt of hij zich uitstrekt tot de horizon, al kun je dat niet goed zien. Het is nevelig in de verte. Je probeert het toch te raden, een kilometer of tien, zo lang moet die weg wel zijn. Tussen de voorste huizenblokken ontdek je ineens twee figuurtjes. Misschien zijn het wandelaars die de weg net zijn afgelopen. Ze zullen wel moe zijn.

En hoe hoog is de toren? De spits raakt de horizon, net als het verdwijnpunt van de weg. Toch is die toren geen tien kilometer hoog. Honderd meter schat je, veel meer kan het niet zijn. Hij is wel erg dicht bij het raam gebouwd. Als iemand op de transen staat kan hij in deze kamer kijken.

Dan loop je naar de schildersezel. Je pakt hem vast en nu duw je de toren, de weg, de nevel, de wandelaars, de bladeren en nog veel meer vlug opzij. Je wilt nu eindelijk wel eens weten welk uitzicht deze kamer heeft, wat er achter het schilderij is te zien.