Eckermanns gesprekken met Goethe vertaald; Hij woonde in de voliere

'Als ik jou maar heb en kan hebben, dacht ik, dan is de rest me om het even', schreef Johann Peter Eckermann in 1823 over Goethe. In drie omvangrijke delen noteerde Eckermann al zijn gesprekken met Goethe. Er is wel getwijfeld aan de betrouwbaarheid van Goethe's secretaris maar dat doet aan de leesbaarheid van zijn werk niets af. 'Eckermann is manmoedig, brutaal en vasthoudend, een man die zich graag liet beleren en in hoge mate zichzelf verloochende.'

Johann Peter Eckermann: Gesprekken met Goethe. Vertaald door Gerda Meijerink, geannoteerd door Hans Ester, nawoord Boudewijn Buch. Uitg. De Arbeiderspers. Prive-domein, 545 blz. Prijs fl. 65, -

Boudewijn Buch: Goethe en geen einde. Uitg. De Arbeiderspers, 254 blz. Prijs fl. 39,50.

Er gaat een majestueuze rust uit van de gesprekken die Eckermann voerde met Goethe in de laatste jaren van zijn leven. Wie een ongedurige geest bezit komt snel tot kalmte; wie wel eens last heeft van de pijn van het schrijven wint hernieuwd zelfvertrouwen. Toch is 'het beste Duitse boek' (Nietzsche) geen writer's book. De onderwerpen waarover Goethe zijn licht laat schijnen zijn te veelomvattend: vogelkunde en literatuur, Napoleon en Lord Byron, de kleurenleer en poezie, het theater, de controverse tussen romantiek en klassicisme, de natuur, het menselijk leven. Eckermanns Gesprache mit Goethe in den letzten Jahren seines Lebens beslaat drie delen; de eerste twee verschenen in 1836, het derde deel werd na Goethe's dood in 1848 gepubliceerd. In de reeks prive-domein van De Arbeiderspers is zojuist de Nederlandse vertaling van deze conversaties verschenen, met een boek van Boudewijn Buch over Goetheomanie in haar kielzog. De beide uitgaven vullen elkaar prachtig aan. Eckermann is plechtig en gedragen, Buchs Goethe en geen einde is dartel en feestelijk.

Er is in de Goetheologie veel geredetwist over de vraag of Eckermann de uitspraken van Goethe wel nauwkeurig heeft genoteerd. Sterker nog: Eckermann, door Heine ooit een papegaai genoemd, zou de conversaties voor een groot deel zelf verzonnen hebben. Dat geldt zeker voor het derde deel, gepubliceerd na de dood van Goethe. Op de betrouwbaarheid van de eerste twee delen, ontstaan tussen 1823 en 1832, is afgedongen doordat Eckermann zich vergiste in data, flarden van gesprekken samenvoegde, Goethe op bepaalde dagen ontmoette terwijl dat volgens de dagboeken of brieven van Goethe onmogelijk was. De lezer van de Gesprekken met Goethe hoeft zich geen ogenblik te laten hinderen door de vraag naar geloofwaardigheid. Eckermann noteerde de uitspraken uit zijn herinnering en componeerde vervolgens wat er zoal aan de dis, in de tuin of in een van de kamers van het huis aan het Frauenplan te Weimar ter sprake is gekomen. En, zoals het een auteur van klasse betaamt, dramatiseerde Eckermann de gesprekken. Zijn schriftuur is nooit vlak of rechtlijnig. Hij geeft gewiekste voorzetjes, waagt het kanttekeningen te plaatsen bij de kleurentheorie van de meester en houdt zelf betogen die soms enkele bladzijden beslaan. Bovendien laat hij elk gesprek vergezeld gaan van een sfeertekening, of het nu een fraaie Natureingang is of de de beschrijving van Goethe in zijn stoel of aan de tafel. De stemming van de Olympier of de 'gipsen Apollo' (Roland Holst) wordt de lezer evenmin onthouden.

Eckermann is door Peter van Zonneveld in deze krant eens scherp getypeerd als een dolende op zoek naar het licht van Goethe. De eerste was het lege vat dat door de tweede werd gevuld. Maar Eckermann is ook manmoedig, brutaal en vasthoudend, een man die zich graag liet beleren en in hoge mate zichzelf verloochende. Hij leefde in een soort voliere in nabijheid van het Goethe-huis en stierf onder kommervolle omstandigheden. Het is een smartelijk verhaal over Eckermann, door Buch in het nawoord en in zijn eigen boek met gevoel voor tragiek uit de doeken gedaan. Toch hoeven we niet alleen maar medelijden te voelen voor Eckermann. Hij schreef in elk geval een onsterfelijk boek over bewondering en wijsheid, een boek dat hij wilde schrijven. Aan het slot van het vierde gesprek in Jena, op 15 september 1823, schrijft Eckermann triomfantelijk: 'Ik was gelukkig weer in Goethe's nabijheid te zijn en hem weer te horen spreken en ik was hem met mijn hele innerlijk toegedaan. Als ik jou maar heb en kan hebben, dacht ik, dan is de rest me om het even.'

Bekoring

Eckermanns methode is die van de 'zintuiglijke reproduktie', zoals hij in het Voorwoord vermeldt. Hiermee sluit hij aan bij de eis die Goethe stelt aan alle kunst, namelijk dat ze in het bezit moet zijn van een 'zinnelijke bekoring' die de stof moet doordringen. Dank zij die zintuiglijkheid zien we Goethe en Eckermann voor ons, de stoelen bij elkaar geschoven, knus te zamen, twee heren die converseren en de kranten lezen 'in afwachting van de soep' (7 april 1829).

De kalmte en het zelfvertrouwen die het boek schenken zijn te danken aan de sublieme eenvoud van Goethe's visie op kunst. Literaire werken en theaterstukken slaat hij hoog aan als ze getuigen van traditie en ambacht. Dat betekent: niet in blinde inspiratie neergepend maar in het hart en het hoofd van de kunstenaar gerijpt, soms lang, vele jaren, en daardoor getuigen van beheersing van het onderwerp. Hij heeft een voorkeur voor 'opdringerige mannelijke' kunst en niet voor kunst die ongebonden is, zonder vorm, week en vrouwelijk. De noodzaak van innerlijke hardheid is terug te vinden in Goethe's befaamde onderscheid tussen klassiek en romantisch. 'Ik heb een nieuwe uitdrukking gevonden, ' zei Goethe, 'die de verhouding niet slecht beschrijft. Het klassieke noem ik het gezonde en het romantische het zieke. In die zin zijn de Nibelungen even klassiek als Homerus, want beide zijn gezond en krachtig. De meeste nieuwe dingen zijn niet romantisch omdat ze nieuw zijn, maar omdat ze zwak, ongezond en ziek zijn. En het oude is niet klassiek omdat het oud is, maar omdat het sterk, fris en gezond is. Wanneer we het klassieke en het romantische volgens zulke kwaliteiten onderscheiden, dan weten we gauw waar we aan toe zijn.' Deze passage is van belang voor een lezer als ik die nooit kon begrijpen dat de vorst van Weimar en directeur van het theater daar het toneelwerk van Von Kleist en Holderlin heeft geweigerd, tot verbittering van beiden. Aan Holderlin schreef hij bij voorbeeld dat hij zich maar aan kleine onderwerpen moest houden; Von Kleist bood zijn Prins van Homburg tevergeefs aan. Het is wrang om je voor te stellen dat Goethe zijn gesprekken hield in het rijk gedecoreerde huis van Weimar terwijl de ene van de genoemde dichters in vergetelheid en geestelijke verduistering wegdroomde en de andere zelfmoord had gepleegd.

Er is weleens gesuggereerd dat Goethe bang was voor de wildheid of demonie van Holderlin en Kleist, en hen daarom van zich af stootte. Maar aan die weigerende houding ligt ook een stijlgevoel ten grondslag. Hij vond hun werk eenvoudigweg ziek, ongezond en duister. Romantisch dus. Een dichter moest greep hebben op zijn onderwerp. De eis van beheersing spreekt uit elke bladzijde van de Gesprekken, en de stijl van Eckermann is op zijn beurt het bewijs van die beheersing. Het is glashelder en tegelijk plechtstatig. Sprak Goethe werkelijk zo? Het moet haast wel. De zinnen klinken. Bovendien geeft 'zijne excellentie' er blijk van de meest complexe zaken terug te brengen tot de kern. Ook dat is een teken van stilistische trefzekerheid.

Vereenvoudiging

Gerda Meijerink heeft de Gesprache in uiterst toegankelijk Nederlands vertaald; het heldere Duits is helder Nederlands geworden. Ze heeft in een aantal gevallen gekozen voor een vertaling die een vereenvoudiging is in vergelijking tot het origineel en nauwelijks een afstand in de tijd schept. De gesprekken konden gisteren aan het papier zijn toevertrouwd, niet in Weimar maar in Leiden. Een voorbeeld van die vereenvoudiging. Op 18 januari 1827 noteert Eckermann: 'Goethe merkte, dass ich einen Zweifel im Herzen hatte.' Dit wordt: 'Goethe merkte dat ik mijn twijfels had.' Toch had ik hier in plaats van het weinig fraaie 'twijfels' liever het enkelvoud 'twijfel' gelezen en mis ik de vertaling van 'Herzen'. Dat 'Herzen' drukt ook iets uit van de verhouding tussen Goethe en Eckermann. Het opmerken van 'twijfels' bij iemand is niet zo moeilijk. Maar om te zien dat er twijfel schuilt in iemands hart getuigt van net iets meer aandacht. En het is Eckermann in veel vergelijkbare gevallen, waarin hij zichzelf opvoert, juist te doen om die allesverwarmende aandacht van zijn leermeester.

Eckermann schreef een hagiografie over Goethe, geen biografie. De slotalinea waarin hij de dode Goethe beschrijft is aangrijpend. De lezer heeft al enkele bladzijden weet van zijn dood door een terloops neergeschreven zinnetje. Eckermann gaat eerst verder met de weergave van de laatste gesprekken, om dan tot zijn laatste passage te komen waarin hij de stilte beschrijft onder zijn hand die hij legt op het hart van Goethe: '[ik] keerde mij af om mijn ingehouden tranen de vrije loop te laten'. Eckermanns onvoorwaardelijke vriendschap en bewondering voor Goethe zijn overtuigend. Daarom sluit Goethe en geen einde van Boudewijn Buch zo goed aan op deze vertaling. Wie eenmaal in de ban van Goethe is geraakt zal ongedurig op zoek gaan naar Goethe-parafernalia als bustes, bijna onvindbare publikaties en bizarre onderwerpen als Luchtvaart en ballonvaarkunst in Goethe's dichten en denken en Het kookboek van Goethe's moeder. Al is zowat elke minuut van zijn leven gedocumenteerd, de man blijft ongrijpbaar. Het verhaal over Goethe's jonggestorven kleindochter Alma is van een immense treurigheid. Ze had 'grote, stralende bruine Goethe-ogen' die het gesprek waren op het hofbal. Ze leed aan tyfus. Buch wijdt aan haar een tedere hommage: 'Sedert meer dan honderd jaar slaapt de lieve Alma onder haar eigen marmeren beeltenis. Boven haar lijk ligt ze immers nog steeds, in steen gehakt, te dromen in kinderlijke onschuld. De laatste keer dat ik voor haar graf stond, moest ik huilen. Alma's leven was nergens goed voor.'

    • Kester Freriks