De wederopstanding van het cabaret

ROTTERDAM, 23 nov. - Cabaret? Dat was lang iets om met dedain op neer te kijken. Het was dood, of op zijn minst hopeloos verouderd, iets voor nette burgermensen die naar Paul van Vliet of Seth Gaaikema gingen kijken. De absolute opinieleiders waren Freek de Jonge en Bram Vermeulen, tezamen Neerlands Hoop - en zij hadden het woord cabaret in de ban gedaan: 'We vechten tegen die benaming, we willen daar helemaal niet bij horen', zei het duo in 1978. 'Het Nederlandse cabaret is een gevaarloze haven geworden, het is zoetsappig gemakkelijk amusement.' Tegen zoveel verbaal geweld uit de voorhoede viel niet op te vechten, het genre was ten dode opgeschreven.

Des te opmerkelijker is hoe het er nu, ruim tien jaar later, voorstaat. Een omvangrijk publiek blijkt in toenemende mate bereid te kijken naar groepen of solisten van wie nog vrijwel niemand ooit heeft gehoord. 'Het is niet aan te slepen', vat een schouwburgdirecteur in het midden des lands de situatie samen.

In het Rotterdamse Luxor-theater wordt vanavond het 25-jarig bestaan gevierd van het cabaretfestival Cameretten, morgenavond gevolgd door de finale van deze jaarlijkse jacht op cabaretesk talent. Niet minder dan vier jaarlijkse cabaretfestivals leiden thans een bloeiend bestaan. Honderden amateurs hopen elk jaar via een van die vier nationale roem te bereiken. Vrijwel elke winnaar vindt prompt een impresariaat, dat de exploitatie ter hand wil nemen. En radio en televisie wachten de oogst telkens vol ongeduld af, een aanstelling als programmamedewerker ligt voor menigeen binnen handbereik.

Toch moet de malaise die aan de nieuwe populariteit van het Nederlandse cabaret voorafging meer oorzaken hebben gehad dan alleen de overheersende invloed van Neerlands Hoop. In de loop van de jaren zeventig maakte de traditionele cohesie van de studentenverenigingen, vanouds een broeinest van cabaret, onder dwang van de democratiseringsgolf plaats voor lossere organisatievormen. Tegelijk schiepen overheidssubsidies, aanvankelijk uitsluitend bestemd voor grote gezelschappen, ruimte voor andere theaterinitiatieven. Een groep als Hauser Orkater illustreerde de nieuwe mengvormen van toneel en muziek en inspireerde tot navolging. Het Cameretten-festival, 25 jaar geleden opgericht door Delftse studenten, kreeg te kampen met een identiteitscrisis. Hoe kon het cabaretgenre nog worden gedefinieerd?

Pag. 6: Tussen het talent fladderen veel eendagsvliegen

Nadat het Delftse Camerettenfestival eerder stijlvaste winnaars als Ivo de Wijs en Don Quishocking had voortgebracht, leidde de verwarring er in 1979 bij voorbeeld toe dat de hoofdprijs naar het Vlaamse duo Dabaret Salu ging - bestaande uit de theatermakers Lucas Vandervorst en Sam Bogaerts, wier werk (ook later) niets met cabaret te maken had. De vraag was of Cameretten nog een cabaretfestival kon heten.

In de loop van de jaren tachtig kwam de omslag. Cameretten, dat al jarenlang geen opmerkelijk talent meer had opgeleverd, kreeg concurrentie van een nieuw festival dat een principieel standpunt innam: geengageerd cabaret in plaats van het louter amuserende en/of absurdistische muziektheater dat toen hoogtij vierde. Dit Leidse Cabaretfestival werd georganiseerd door het impresariaat van Harry Kies, die de winnaars vaak zelf onder zijn hoede kon nemen. Al snel boekte hij succes - met laureaten als Dubbel en dwars (Jack Spijkerman), 1983 (Jurrien Rood) en Zak en As (Justus van Oel). De winnaars van Cameretten hadden altijd zelf hun weg naar het theatercircuit moeten zoeken. Wie in Leiden won, maakte een goede kans op een beroepscarriere via het kantoor van Kies.

Die concurrentie bleek ook op Cameretten een gunstig effect te hebben. De stroom van nieuwe gegadigden groeide zo explosief dat er zelfs ruimte bleek te bestaan voor een derde en een vierde festival, in Amsterdam en in Groningen. Wie nu door de een wordt afgewezen, gaat naar de ander. De vraag stimuleert het aanbod en het aanbod stimuleert de belangstelling. Zodra er weer twintigers en dertigers op het toneel stonden, kwamen er ook weer twintigers en dertigers naar kijken. Het cabaret is een theatervorm voor leeftijdgenoten; toen het aanbod hoofdzakelijk bestond uit Van Vliet en Gaaikema, bleef het jongere publiek weg. Nu er weer jongeren optreden, is cabaret voor de nieuwe generatie wederom een populair mode-artikel - zoals het dat ook in de jaren zestig was geweest.

Tegelijk veranderde de buitenwereld. In de studentenverenigingen werd teruggegrepen naar de oude vormen en de subsidiestromen wendden zich weer af van het margetheater. Bavo Galama zegt dat Frisse Jongens, het duo waarvan hij de helft vormde, meer toneel was dan cabaret. Ze besloten echter zich via Cameretten te manifesteren: 'Voor een toneelgroep is het moeilijk om aan de bak te komen. Bij cabaret is er veel grotere aandacht voor beginnende produkties.' Ruim tien jaar geleden was het precies andersom.

Het citaat is afkomstig uit het zojuist verschenen boek De cabaretiers van Theo Stokkink (uitg. Balans; f. 19,90), een bundeltje uitspraken van de nieuwe cabaretgeneratie naar aanleiding van 25 jaar Cameretten. Ter aanvulling wordt vanavond tijdens de jubileumviering - een spectacle coupe van winnaars uit eerdere jaargangen - een cd ten doop gehouden met vaak niet eerder verschenen nummers uit de geschiedenis van het festival. Het merkwaardige optreden van Dabaret Salu staat hier tussen Ivo de Wijs, Don Quishocking, Neerlands Hoop, Herman Finkers, Purper, Brigitte Kaandorp, Hans Liberg en minder groot geworden namen als Joke van Leeuwen en Bart Stultiens. Het boek en de cd zetten de wedergeboorte van het genre kracht bij - en dan heb ik het nog niet eens over de zeer diverse succesboekjes van cabaretiers als Paul de Leeuw en Jack Spijkerman die dezer dagen bij duizenden worden verkocht.

Maar is het ook allemaal even goed? Natuurlijk niet, vanzelfsprekend loopt de kwaliteit uiteen. Tussen het onmiskenbare talent fladderen veel eendagsvliegen. Dat is niet erg, de selectie vindt plaats in het theater. Liever een openbare schifting dan het gebrek aan uitingsmogelijkheden, dat de jaren zeventig kenmerkte. Hooguit loopt het publiek nu het risico, dat het te vaak wordt geconfronteerd met ondermaats werk en zich na verloop van tijd weer walgend zal afwenden. Dan staat er een nieuwe Freek de Jonge op, die het genre dood verklaart. En zo verder.

tuss