De slechtvalk

Vogels maken de gekste geluiden en de vogelwachter kent ze allemaal. Laatst riep er een vogel: 'ie-ie-ie-porr-porr-porr-sjiet puu-puu-puu-tsjing-tsjing tjaf-tjaf-sjiet.' De vogelwachter, die de vogel niet zag, zei meteen: 'Dat is een nachtegaal.' Een andere vogel riep uit de bosjes: 'tok-tok, tiek.' 'Dat is een merel', zei de vogelwachter. Weer een andere vogel riep: 'knut-knut.' 'Dat is een ringmus', zei de vogelwachter. 'Kittie-week, kittie-week', riep nog weer een andere vogel. 'En dat is een drieteen-meeuw', zei de vogelwachter.

Tijdens een fietstochtje door de duinen hoorde de vogelwachter 'kjak kjak' roepen. Hij wist meteen dat er een slechtvalk in de buurt was. Hij parkeerde zijn fiets tegen een parasol-den en tuurde door zijn verrekijker naar de wolken, de bomen, de duinpannen, de bosjes met duindoorns, het helmgras en de schelpenpaadjes, maar hij kon de zeldzame roofvogel nergens ontdekken.

Toen hij weer op zijn fiets wilde stappen, zag hij dat er een roofvogel op zijn bagagedrager zat. Het was de slechtvalk. De slechtvalk leek wel een prins in zijn fraai gekleurde veren manteltje, dat aan de achterkant grijsblauw was en aan de voorkant witte en donkere, golvende streepjes vertoonde. Verder droeg de vogel een matglanzend, zwart badmutsje met speciale ooggaten waar hij doorheen loerde. De slechtvalk deed erg zijn best om weg te komen toen hij de vogelwachter zag maar het lukte hem niet. Na een ongelukkige duikvlucht was hij met een gebroken vleugel achterop de fiets van de vogelwachter beland.

De vogelwachter, die de gevederde prins van een zekere hongerdood wilde redden, stopte de woedende vogel in zijn fietstas en transporteerde hem naar zijn huis. Nadat hij een vogelkooi voor hem had ingericht, ging hij vlug naar de slager om een half pond hart voor de slechtvalk te kopen. Maar de slechtvalk weigerde te eten en wilde ook niet slapen. De vogelwachter die zijn nieuwe huisgenoot Prins Ambrosius noemde, wist zich geen raad. Ten slotte besloot hij de koppige vogel te hypnotiseren. Hij stak een kaars aan en met de brandende kaars in zijn hand bleef hij de hele nacht rond de vogelkooi lopen. Aan het eind van de nacht had Ambrosius zo lang naar het almaar ronddraaiende kaarsvlammetje gekeken dat zijn ogen vanzelf dichtvielen.

Toen Ambrosius ontwaakte begon hij dadelijk zijn eten naar binnen te schrokken. Hij werd al snel dikker en na een tijdje kon hij ook zijn vleugel weer gebruiken. De vogelwachter opende de kooi en Ambrosius vloog meteen door het geopende raam naar buiten, maar toen hij honger kreeg, ging hij op de vensterbank zitten. De vogelwachter begreep dat Ambrosius het jagen intussen verleerd was.

Hij pakte een lang, leren koord dat vastzat aan een klein leren kussentje waarop hij een stukje vlees bond. 'Dat is nu de loer', zei hij tegen de slechtvalk terwijl hij op het koord met het kussentje wees. 'Let goed op, Prins Ambrosius, want nu ga ik u een loer draaien.' De vogelwachter ging naar de tuin en liet het koord snel in de rondte draaien. De slechtvalk keek vanaf een boomtak toe en dook ineens vliegensvlug op het bewegende kussentje met het lekkere hapje af. In het begin miste hij het kussentje keer op keer maar nadat hij de hele winter geoefend had, stootte hij bij iedere duikvlucht raak.

Vroeg in het voorjaar had de slechtvalk ineens geen zin meer om op zo'n kinderachtig kussentje met een brokje hart te duiken en vloog zomaar weg. De vogelwachter zag hoe hij hoger en hoger ging vliegen tot er een stipje door de wolken zweefde. Hij wist dat zijn huisgenoot dit keer niet zou terugkeren. 'Het ga u goed, Prins Ambrosius', zei de vogelwachter en hij pinkte snel een traan weg.