Compassie en protest in muziek Pettersson

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Gerd Albrecht, met: Stefan Vladar (piano). Werken van Stephan, Lutoslawski en Pettersson. Gehoord: 22/11 Concertgebouw, Amsterdam. Herhalingen: 23/11 aldaar, 24/11 Philipszaal Den Haag, 26/11 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht. Radio-uitz. Avro 12/12.

Meestal lijkt het muziekleven nogal chaotisch, maar soms is er opeens logica in te bespeuren. Zo speelde het Residentie Orkest aan het begin van het seizoen van de karaktervolle Zweedse componist Gustaf Allen Pettersson (1911-1980) een selectie uit de cyclus Barfotasanger en was Ida Haendel de soliste in het Tweede vioolconcert. Vervolgens wijdde het Concertgebouworkest zich gisteravond in de Serie C aan diens Zevende symfonie uit 1967.

Bevreemdend is dan weer dat op de komende uitvoeringen in Amsterdam, Den Haag en Utrecht, Petterssons bijzonder boeiende symfonie wordt vervangen door Beethovens Tweede.

In zijn dertien symfonieen uit de periode 1952-1976 betaalde Pettersson tol aan zowel de Scandinavische Sibelius-Nielson-traditie als aan de Mahler-Sjostakovitsj-trend. Zelfs Bruckners geest waart erin in rond. Desondanks weet hij binnen dit vergaande eclecticisme zoiets als een eigen identiteit te scheppen. Of het er nu elegisch aan toegaat, zoals wanneer obsessieve koper-ostinati de Introductie naar een dreigend-broeierig hoogtepunt voeren, of wanneer declamatorische unisoni bezwerende accenten aanbrengen, of wanneer een dreigende trom een langdurig vredig betoog van de strijkers wreed verscheurt - deze 'Bergman van de muziek' doet zijn betoog geen moment verbrokkelen, en heeft een echt lange adem.

Wat bij Sjostakovitsj schril en sarcastisch overkomt, bijvoorbeeld een hoge picolo-toon die lang blijft hangen, klinkt bij Pettersson veel milder, ja bijna met een humane ondertoon. Compassie met de kanslozen was dan ook Petterssons hoofdthema. Tekent Sjostakovitsj niet zelden de wreedheid sec om het uitzichtloze te benadrukken, Petterssons protest is niet zonder hoop.

Dirigent Gerd Albrecht noteerde bij zijn ontdekking: 'Hoe is het mogelijk dat in onze keurig aangeharkte muziekwereld iemand voorkomt die op geen enkele stoel past, die door dat belachelijke netwerk, samengesteld en doorgegeven door praatjes en commercie, heenvalt?' Albrecht voelde zich diep beschaamd omdat hij pas vijf jaar geleden voor het eerst gehoord had van 'die arme kleine altviolist, die als een vulkaan symfonie na symfonie heeft uitgespuugd'. Aan zijn inzet hoefde in ieder geval niet getwijfeld te worden, uit Albrechts lezing sprak grote autoriteit.

Ook de uitvoering van Witold Lutoslawski's vierdelige en groots opgezette Pianoconcert uit 1987-1988 had niveau. Precies een jaar geleden begeleidde de componist bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest de pianist Anthony di Bonaventura. Die uitvoering was helderder en scherper, er klonk nu meer 'fluweel', maar de 25-jarige Oostenrijkse pianist Stefan Vladar deed qua virtuositeit zeker niet onder voor Di Bonaventura.