Orgelbouwer Van Vulpen toonbeeld ambachtelijkheid; 'Als je op het hoogste niveau werk aflevert, kom je nooit zonder.'

UTRECHT, 22 nov. De modernste machines zijn een elektrische zaag, een frees en een platenpers. Voor de rest is Gebr. Van Vulpen, Orgelmakers, een toonbeeld van ambachtelijkheid. Zij het dat tegenwoordig een strijkbout wordt gebruikt om de beenderlijm te drogen waarmee schapeleer op pulpetenplanken wordt geplakt.

Het Utrechtse bedrijfje behoort met zijn dertien medewerkers tot de grotere bouwers van tradionele mechanische orgels in Nederland. Op die markt zijn naar schatting nog zo'n twintig bedrijven actief, met samen tweehonderd personeelsleden en 15 tot 20 miljoen gulden omzet.

Het meeste werk voor Van Vulpen komt uit nieuwbouw, maar restauratie en onderhoud nemen ook een belangrijke plaats in. Het grote, uit 1842 daterende Batz-orgel, dat minister d'Ancona van WVC vandaag officieel overdraagt aan vice-voorzitter mr. W. Scholten van de Raad van State, werd gerestaureerd, geintoneerd en opgebouwd door Van Vulpen.

Dit orgel, ontworpen voor en geinstalleerd in de gothische zaal van het gebouw van de Raad van State, zwierf in de loop van anderhalve eeuw door heel Nederland totdat het Muziekcentrum in Utrecht er de hand op legde. Het instrument werd in afwachting van restauratie opgeslagen, totdat de overheid te kennen gaf het weer op zijn oorspronkelijke lokatie te willen installeren.

Voor het herstel van windladen, pijpwerk en houtsnijwerk, de constructie van nieuwe pinakels, vernieuwing van de mechanieken, installatie van een extra spaanbalg, schoonmaken, vergulden en beitsen kwam men terecht bij Van Vulpen. Niet zonder reden, aldus directeur R. van Vulpen, want het bedrijf staat bij adviseurs hoog aangeschreven.

Die adviseurs, dat zijn met name de Gereformeerde en Hervormde Orgelcommissies en de Katholieke Klok- en Orgelraad. De ervaring en kennis is juist in die kringen groot, omdat de meeste traditionele orgels nu eenmaal in kerken staan.

Het gros van de door Van Vulpen geproduceerde orgels is dan ook bestemd voor kerken, hoewel 'de echte liefhebber', aldus Van Vulpen, ook nog wel eens een huisorgel wil bestellen. Een heel grote markt vormen de orgels voor particulieren overigens niet: een klein model, een eenklaviers huispijporgel, kost 60.000 gulden en vergt een groot huis. Concurrentie van het elektronisch orgel zegt Van Vulpen nooit te hebben gehad. Die instrumenten vormen in zijn optiek de meelijwekkende onderkant van de markt, waar cultuur en traditie geen rol spelen.

De jaarlijkse omzet van Van Vulpen bedraagt gemiddeld zo'n 1,3 miljoen gulden. De winst bedraagt 'een paar procenten', zegt Van Vulpen. 'Van dit ambachtelijke werk word je niet rijk. Een nieuw kerkorgel kan een half miljoen kosten en dat moet zo'n kerk wel kunnen opbrengen. Subsidies krijgen ze alleen voor restauratie.'

De Utrechtse orgelmaker produceert tegenwoordig per jaar twee, drie orgels. Dat is minder dan in de hoogtijdagen van het bedrijf, de jaren zestig, toen veertig medewerkers jaarlijks soms meer dan tien orgels fabriceerden. Dat waren overwegend 'neobarokke' orgels; 'schreeuwers', aldus directeur H. Bouwman, die in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, minder te maken hadden met hun historische voorgangers dan de huidige instrumenten.

Van Vulpen richt zich volledig op het traditionele orgel. De vormgeving kan afwijken, maar bij ontwerp, bouw en materiaalkeuze wordt telkens teruggevallen op de rijke Nederlandse orgelhistorie. Toegepaste materialen zijn uitsluitend kwartiersgezaagd Frans eiken, mahonie, messing en schapeleer (voor de ventielen), en been en ebbehout (voor witte en zwarte toetsen). De pijpen worden gemaakt van zelfgegoten tin en lood, waarin bewust enigszins wordt vervuild omdat de tegenwoordige zuiverheid van deze metalen een historisch verantwoorde klank in de weg staat.

Van Vulpen bestaat komende maand vijftig jaar. Na de teruggang van de bedrijvigheid in de jaren zeventig staat de onderneming nu volgens de directeur in een kleine, doch stabiele markt. De secularisatie van de voorbije jaren, die leidde tot minder kerkgangers, minder en armer kerken en dus minder orgels, lijkt ten einde. 'Maar op groei hoef je niet te rekenen', meent Van Vulpen.

Om die reden verheugt de directie zich in een toenemende buitenlandse belangstelling. Op dit moment komt al dertig procent van de omzet uit het buitenland. 'Nederland staat als orgeilland hoog aangeschreven', licht Van Vulpen toe, 'omdat we hier veel traditionele orgels in hun oorspronkelijke staat hebben. Door restauraties hebben wij er veel van geleerd, ook van authentiek materiaalgebruik. Daarover wordt gesproken en daardoor weten ook mensen uit landen als Japan en Amerika ons te vinden. Als je op het hoogste niveau werk aflevert, kom je nooit zonder.'