MARGARET HILDA THATCHER; Elf jaar overtuigd van eigen gelijk

Een dramatischer symbool van politieke sterfelijkheid kan nauwelijks gevonden worden: Margaret Thatcher die thuis onttroond wordt terwijl zij in Parijs het einde van de Koude Oorlog viert. De Koude Oorlog, die Ronald Reagan en ik hebben gewonnen, zal zij er zelf bij denken.

Warme woorden van Bush en handoplegging door Lubbers hebben niet meer mogen baten. Margaret Thatcher heeft de ongelijke strijd opgegeven, volgens de zelfde stijlprincipes die haar de langst zittende Britse eerste minister van deze eeuw hebben gemaakt: met geheven hoofd, eenzaam maar vol overtuiging van het eigen gelijk.

In onvervreemdbaar Engels moet zij vanochtend hebben gezegd: 'It is a funny old world', daarmee doelend op wat in haar ogen waarheden als koeien zijn: drie verkiezingen gewonnen, het land en de meerderheid van de Conservatieve Lagerhuisleden achter zich. En toch weg moeten. Omdat je naaste collega's natte voeten krijgen. Omdat er na elf jaar te veel fractiegenoten zijn die een baantje of een titel zijn misgelopen en je dat kwalijk nemen.

De werkelijkheid is waarschijnlijk anders. Het 48-jarige Lagerhuislid dat in 1973 nog zei tijdens haar leven geen vrouw op de hoogste post in het land te verwachten, profiteerde in 1975 van het vastlopen van de Conservatieve regering-Heath. Niet alleen door een nieuw gezicht te zijn, maar door extremisme te beloven. Zij werd op de schouders geheven om dezelfde redenen waarom zij nu moet gaan: de onaantastbarte kracht van haar overtuiging.

Het was goed dat zij vier jaar kon oefenen op het leiderschap voor zij in 1979, na Callaghans 'winter of discontent' met succes naar de gunst van de kiezers dong. Als belezen staatsman beloofde zij 'harmonie te brengen waar onenigheid is, en geloof waar twijfel heerst.' Het laatste heeft zij gedaan, het eerste bij uitstek niet.

Maar vriend en vijand geven toe dat haar kracht lag in wat Engeland aan het eind van de jaren zeventig nodig had. Tijdens de, achteraf gezien, hoogtijdagen van haar economisch wonder het midden van de jaren tachtig werd bij voorkeur vergeten dat zij in haar eerste jaren als premier de inflatie en de rente nog hoger liet oplopen dan waar Labour voor werd weggestuurd. Het zijn dezelfde euvelen die haar nu in belangrijke mate mede de das omdoen.

Geen econoom heeft overtuigend aangetoond of het harde monetarisme van Thatcher en haar eerste kanselier van de schatkist, dezelfde Sir Geoffrey Howe die nu de nagel aan haar schietstoel is, na een paar jaar de koorts van een gedegeneerde overlegeconomie heeft uitgezweet. Zoals pure Thatcheristen graag beweren. Of dat de gunstige wending van de wereldeconomie en het in stilte verzachten van de kilste aspecten van die vroege politiek hebben geleid tot de opleving van groei en ondernemingszin.

Zeker is dat de mentaliteit van Thatcher, haar grote en onvervreemdbare handelsmerk, de industrie doorslaggevend heeft geinspireerd. Voor dat duidelijk werd had zij wel generaal Galtieri en de Falklandsoorlog nodig. Zonder de doden en verminkten die nodig waren voor de uiteindelijke herovering van het eilandje Georgia, zou Thatcher waarschijnlijk niet de kans hebben gekregen door te gaan.

De verkiezingen van '83 werden haar succes. Zij had toen al de nodige politici van het traditionele one nation-Conservatisme van zich afgeschud. Met haar nieuwe kanselier Nigel Lawson slaagde zij er belangrijke staatsindustrieen te privatiseren. British Telecom en British Airways zijn onvergelijkelijk veel beter geleide en meer innovatieve bedrijven dan voor die verzelfstandiging.

Vele andere staatsbedrijven volgden. En daarmee werd ook duidelijk dat het soms meer ging om het doen herleven van de vechtlust in het bedrijfsleven en het land als geheel, dan om de eigendomsverhoudingen. Jaguar deed het eerst beter, maar kon later ook niet tegenhouden dat de vakbonden het levensbloed uit het bedrijf zogen met looneisen die aan deze kant van de zee al decennia ondenkbaar zijn. Het vergaande vrije marktdenken en het verachten van consensus-politiek beletten Thatcher in te grijpen op het loonfront.

Blijvende bijdragen aan het welzijn van haar land heeft Thatcher geleverd door de dominantie van de vakbeweging aan banden te leggen. Het temmen van de mijnwerkers en de grafici heeft vrijheid en modernisering op grote schaal mogelijk gemaakt. Zoals het massaal aan bewoners verkopen van woningwetwoningen het aanzien van de armere streken van Engeland heeft verbeterd. De minister die als eerste daadwerkelijk iets is gaan doen aan de binnensteden is, ironisch genoeg, Michael Heseltine, de man die door in '86 als eerste demonstratief uit het kabinet weg te lopen, Thatchers weg naar het einde heeft ingezet.

Niemand zal snel de moed vergeten waarmee zij in 1984 doorging nadat een grote IRA-bom het conferentiehotel van de Conservatieven in Brighton doorkliefde. Zij zat 's nachts nog te werken, karakteristiek met een stevig glas onder handbereik, toen haar badkamer veranderde in een glaswinkel en zeven partijgenoten de dood vonden. Het Noordierse probleem heeft zij niet kunnen oplossen, zij zond er ook steeds ministers heen die te linksig waren voor het belangrijke restauratiewerk op het hoofdeiland. Een van hen was Douglas Hurd, de minister die dinsdag meedingt naar de troon.

Maar het werd Europa waarover zij struikelde. Haar angst en afkeer, vroeger handelsmerken van Labour, voor alles aan de andere kant van de rabiesgrens, leidde haar uiteindelijk tot daden en uitspraken waar geen weldenkende collega meer kon leven. Dat meer dan wat ook. Zelfs haar veronderstelde dictatoriale neigingen, waarover Michael Heseltine me in 1983 zei: 'Ach nee, dat is geen punt. Het zijn allemaal sterke persoonlijkheden die het in dit vak uithouden.'