'De boel moet schoon voordat er iets raars gebeurt'

OUDWOUDE, 22 nov. Een groot hek met prikkeldraad en welig tierend onkruid verhinderen het zicht op het fabriekje, waar 25 jaar geleden werd begonnen met het mengen en verpakken van bestrijdingsmiddelen. De blauwe letters 'Kollum Chemie' zijn nog goed leesbaar. De drie bedrijfshallen staan er vervallen bij. Twee borden met het opschrift 'Verontreinigde grond. Verboden te betreden' met daaronder een doodskop moeten nieuwsgierigen op afstand houden.

De inwoners van het nog geen 800 inwoners tellende Friese dorpje Oudwoude (enkele kilometers ten noorden van Buitenpost) zijn eraan gewend, maar daarom niet minder ongerust. Na verscheidene onderzoeken wordt binnenkort het definitieve eindrapport verwacht over de omvang van de bodemvervuiling. Sinds de sluiting van de fabriek, nu acht jaar geleden, is zeker dat er in de loop der jaren aanzienlijke hoeveelheden chemisch afval (zoals chloorhoudende bestrijdingsmiddelen (DDT, lindaan, dieldrin), fosforhoudende bestrijdingsmiddelen en chloorfenoxy-bestrijdingsmiddelen) in de bodem en het grondwater zijn verdwenen.

Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de bodem van het bedrijfsterrein tot op een meter diepte is verontreinigd met pesticiden. Achter de fabriek waar afval werd verbrand zitten de chemicalien zelfs op 3,5 meter. Plaatselijk is het grondwater vervuild tot een diepte van 30 meter. Na een graasproef met schapen in de weilanden rond de fabriek werden bij de meeste dieren verhoogde concentraties DDT en dieldrin aangetroffen. Twee van de twaalf schapen werden afgekeurd voor vleesconsumptie omdat ze te veel DDT bevatten.

Een provinciaal rapport vermeldt elf 'verdachte plaatsen' in de fabriek, zoals bergingen, schuren, tanks, opslag- en vulplaatsen waar onzorgvuldig werd gewerkt. In een van de hallen werden vloeibare stoffen gemorst. Bij ongelukken raakten vaten lek en verdween de inhoud in de sloten. Enkele bedrijfsongelukken veroorzaakt door een zeer onzorgvuldige manier van werken en een ondeugdelijke bedrijfsvoering liggen ten grondslag aan de omvangrijke verontreiniging. Oud-werknemer Luinstra verklaart dat het vooral nonchalance van de werknemers zelf betrof. 'Ik heb wel in de stofwolken gestaan. Vergat je de stofafvanginstallatie aan te zetten, omdat een klusje nog even snel af moest. Ik heb er vijftien jaar gewerkt, maar ik geloof niet dat het gevaarlijk was, ik ben kerngezond. Als het gevaarlijk was had ik al lang dood moeten zijn.'

Kollum Chemie werd in 1964 geopend. In de noordoosthoek van Friesland, met zijn indertijd hoge werkloosheid, werd het bedrijf met open armen ontvangen. Het mengen, roeren, afvullen en overpakken van landbouwchemicalien leverde in de beginjaren werk op voor 100 mensen. Later zou de werkgelegenheid slinken tot 30 mensen.

De eerste calamiteit deed zich voor in 1973. Door een ondeugdelijke stofafvanginstallatie ontsnapte een grote hoeveelheid atrazine die neersloeg op bomen en woningen. Het gras vergeelde, de bomen ontbladerden en stierven ten slotte af. Mevr. B. de Boer die pal naast de fabriek woont: 'Het was heel fijn geel poeder dat naar beneden dwarrelde. Vanaf die tijd vertrouwden we het niet en hielden we de boel in de gaten. We hebben zelfs een telefoondienst ingesteld. Dan zagen we bijvoorbeeld dat ze vloeistoffen overhevelden in tanks zonder handschoenen en belden we B en W weer.' De stank was niet te harden. De verrotte bloemkoollucht die de fabriek verspreidde deed het klachten regenen op het gemeentehuis in Kollum.

Een tweede milieu-incident, in maart 1979, deed de fabriek de das om. Tijdens het overpompen van 3000 liter van het onkruidbestrijdingsmiddel 2,4-D amine gleed de slang uit de container en stroomde het goedje de sloot in. Mevr. de Boer: 'Mijn man werkte bij Rijkswaterstaat en hij heeft de duiker in de sloot meteen afgesloten zodat het niet de polder in kon lopen.'

Voor de bewoners was de maat toen allang vol. Zij drongen aan op sluiting van de fabriek: 'Jarenlange stankoverlast en leven bij een chemisch kruitvat is geen pretje. We pikken het niet meer!', schreef de politieke partij Dorpsbelangen in een brief aan het college. Dat zag in dat het zo inderdaad niet langer kon. In augustus werd besloten 'Kollum Chemie' geen nieuwe vergunning te geven. Ook de Bedrijfsgezondheidsdienst drong op sluiting aan.

Kort daarna, in 1980, ging het bedrijf failliet. De schulden, onder andere als gevolg van het namaken van gepatenteerd landbouwgif van het internationale concern Dupont, bedroegen ruim 27 miljoen gulden. De eigenaar verdween met de noorderzon. Dat het zo lang heeft geduurd voordat de omwonenden gehoor vonden voor hun klachten is volgens A. Vroegindewey van Dorpsbelangen te wijten aan de laksheid van de toenmalige gemeentebesturen. 'Onze klachten werden gebagatelliseerd. Het personeel van Kollum Chemie verkondigde dat er niets aan de hand was. Ik zeg wel eens: waren er maar een paar werknemers dood neergevallen, dan hadden ze ons serieus genomen.'

In 1984 werd begonnen met het opruimen van de restanten en verpakkingen van bestrijdingsmiddelen door in speciale pakken gehulde en met zuurstofmaskers getooide medewerkers van een chemisch schoonmaakbedrijf. 'En dat terwijl het personeel daar altijd open en bloot rondliep', merkt inwoner Sj. Dijkstra schamper op. Bodemsanering zou naar schatting 30 miljoen gulden kosten. De gemeente Kollumerland moet daarvan tien procent, drie miljoen, voor haar rekening nemen. Burgemeester P. F. Visser heeft toegezegd dat de grond wordt schoongemaakt, al moet hij er een lening voor afsluiten. 'Om het geld mag en zal het niet gaan. Het is belangrijk dat de boel daar wordt opgeruimd voordat er gekke dingen gebeuren.'

    • Karin de Mik