Amerika staat voor dilemma in Golf

Negen resoluties heeft de Veiligheidsraad sinds 2 augustus aangenomen waarin Irak wordt gemaand Koeweit te verlaten en zijn gijzelaars in vrijheid te stellen. Bijna vier maanden na de overval op het emiraat maakt Saddam Hussein geen aanstalten zich bij de beslissingen van het hoogste orgaan van de Verenigde Naties neer te leggen. Weliswaar worden er voortdurend groepjes gijzelaars vrijgelaten en is zelfs aangekondigd dat gedurende het eerste kwartaal van volgend jaar alle buitenlanders Irak kunnen verlaten, maar Saddams gesjacher met mensen heeft uitsluitend de bedoeling de coalitie van landen tegenover hem uiteen te spelen. Of het belangrijkste drukmiddel op Bagdad, de door de Raad voortdurend aangescherpte boycot, het gewenste effect heeft, blijft al met al onduidelijk.

Het is geen geheim dat de Verenigde Staten het voortouw hebben genomen bij de onderneming de Iraakse strijdkrachten weer uit Koeweit te doen terugtrekken. Maar van belang blijft dat de Veiligheidsraad binnen luttele uren na het begin van de invasie reageerde met een veroordeling van en binnen enkele dagen met ahet afkondigen van een embargo tegen Irak. De verantwoordelijkheid voor het slagen van de onderneming een herstel van de status quo ante is die van de gehele Raad en daarmee van de Volkerenorganisatie als geheel. Deze verantwoordelijkheid strekt zich uit tot de door de Raad gesanctioneerde middelen die worden aangewend om de boycot het beoogde effect te geven de maritieme en luchtstrijdkrachten van diverse landen die in en rondom het Golfgebied zijn samengetrokken.

Geen verantwoordelijkheid hebben de Verenigde Naties voor de aanwezigheid in Saoedi-Arabie van de honderdduizenden militairen uit verschillende landen afkomstig. Die vreemde troepen zijn daar op uitnodiging van de Saoedische regering teneinde een eventuele Iraakse inval in het koninkrijk te voorkomen. De hoofdmacht bestaat uit Amerikanen en het is van het begin af duidelijk geweest dat deze troepen mochten rekenen op steun van de Amerikaanse eenheden die voor het onderhouden van de boycot zijn ingezet. De Amerikaanse marine en luchtmacht ter plaatse heeft dus een dubbele taak, een voortvloeiend uit besluiten van de Veiligheidsraad van de VN en een voortkomend uit afspraken gemaakt tussen de regeringen van de Verenigde Staten en van Saoedi-Arabie.

Voor het geval Irak Saoedi-Arabie was binnengevallen of dat alsnog zou doen zouden er van deze dubbelzinnigheid geen ernstige complicaties behoeven te worden verwacht. Er mag immers worden aangenomen dat het koninkrijk geen bezwaar zal maken als de vreemde troepen dat doen waarvoor zij zijn uitgenodigd, het land tegen agressie helpen verdedigen. En een dergelijk geval van zelfverdediging zou sluitend passen in de regels van Artikel 51 van het Handvest van de VN. Verdergaande uitspraken van de Raad om de boycot van Irak en de verdediging van Saoedi-Arabie onder een politieke en militaire noemer te brengen, zouden dan nauwelijk noodzakelijk zijn. Maar gezien de militaire macht die in en rondom het koninkrijk is geconcentreerd, lijkt de kans op verdere Iraakse agressie zuidwaarts inmiddels theoretisch te zijn geworden.

Minder eenvoudig is het in het geval van een aanval op het grondgebied van Irak en van het bezette Koeweit, bedoeld om Koeweit aan Irak te ontnemen. Ten eerste, de koning heeft bepaald dat zijn toestemming is vereist als Saoedi-Arabie de springplank zou zijn voor militaire operaties in Koeweit en Irak. Ten tweede, het is de vraag of de andere landen met militaire eenheden in Saoedi-Arabie aan een dergelijke actie zouden willen deelnemen. Ten derde, er kan verdeeldheid ontstaan in de Veiligheidsraad, met name tussen de vijf permanente leden wier eensgezindheid totdusver van historische betekenis mag worden genoemd.

Vooral de laatste mogelijkheid heeft de Amerikaanse regering er toe doen besluiten de Veiligheidsraad om een nieuwe uitspraak te verzoeken waarin lidstaten van de VN tot het gebruik van geweld tegen Iraks strijdkrachten worden gemachtigd om Saddams legers uit Koeweit te verdrijven. Weliswaar heeft de Amerikaanse regering al eerder verklaard dat zij krachtens Artikel 51 daartoe is gerechtigd en weliswaar is in de resolutie van de Raad van 17 oktober voorzien in verdere maatregelen die de Raad onder het Handvest kan treffen als Irak weigert de besluiten van de Raad uit te voeren, maar hier kan gemakkelijk een tegenstrijdigheid ontstaan. Artikel 51 voorziet namelijk in eenzijdige of collectieve zelfverdediging, maar laat die toestand uitmonden in maatregelen van de Raad. Het is onweerlegbaar dat de Raad tegen de agressie van Irak in het geweer is gekomen en verdere actie heeft aangekondigd voor het geval de genomen maatregelen niet doeltreffend zijn.

Het dilemma voor de Amerikaanse regering tekent zich scherp af. Enerzijds leveren de Verenigde Staten de strijdmacht die in het betrokken gebied als enige over de militaire en politieke geloofwaardigheid beschikt om Irak partij te geven, met andere woorden die in staat blijkt Saoedi-Arabie te verdedigen en die in staat mag worden geacht Irak uit Koeweit te verdrijven. Vanuit militair oogpunt kan de beslissing over of en zo ja wanneer en hoe door Washington worden opgeeist. De andere aanwezige strijdkrachten zijn militair marginaal en twee van de vijf permanente leden van de Raad hebben in het geheel geen strijdkrachten ter plaatse. Zowel bij het effectueren van de boycot als bij het aanwenden van andere geweldsinstrumenten om uitvoering van de resoluties van de Raad af te dwingen is de Amerikaanse strijdmacht van beslissende betekenis.

Aan de andere kant is het anti-Saddam-front nu juist politiek verankerd in de opeenvolging van vermanende, aansporende, bestraffende en dreigende uitspraken van de Raad. Dat is zijn kracht zolang het front eensgezind blijft streven naar een daadwerkelijke beeindiging van Iraks bezetting van Koeweit, dat is tegelijkertijd zijn zwakte als zou blijken dat een of meer leden zich uiteindelijk bij de annexatie neerleggen. In het laatste geval zou de Amerikaanse aanwezigheid in de Golf in het luchtledige komen te hangen aangezien haar legitimatie dan op den duur beperkt zou zijn tot de smalle basis van de waarschijnlijk ook eindige Saoedische invitatie. Onverrichterzake naar huis behoort onder die omstandigheid tot de kwade kans.

Het is met het oog op die kwade kans dat de Verenigde Staten de Raad om een uitspraak hebben gevraagd die hun militair een vrijere hand geeft. President Bush heeft onderstreept dat een dergelijke uitspraak niet onmiddellijk zal leiden tot Amerikaanse aanvallen op Iraakse strijdkrachten. Er is veel druk op Washington zowel van buiten als van binnen de Verenigde Staten om voor het laten slagen van de boycot meer tijd te nemen, sommigen noemen zelfs een periode van een jaar. Maar een resolutie die de al eerder aangekondigde verdere actie van de Raad tot in haar eventuele consequenties detailleert, biedt het voordeel van de duidelijkheid. Niemand is ermee gediend wanneer helderheid uitblijft.